ECLI:NL:RBMAA:2012:BW7549
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verbod curator op opeising en verkoop verhypothekeerde woning wegens ontbreken boedelbelang
In deze zaak stonden twee procedures centraal waarin de bank en de gefailleerde zich verzetten tegen het verkoopverzoek van de curator van een verhypothekeerde woning in het faillissement van de vennootschap onder firma Gebroeders. De curator wilde de woning opeisen en verkopen op grond van artikel 58 Faillissementswet Pro, maar de bank en gefailleerde betoogden dat dit niet in het belang van de boedel was.
De rechtbank stelde vast dat de woning een onderwaarde had tussen €75.000 en €98.000, terwijl de hypotheekvordering van de bank €143.000 bedroeg. De verkoop zou geen baten opleveren voor de gezamenlijke crediteuren en was ook niet noodzakelijk voor het dekken van faillissementskosten. De gefailleerde betaalde zijn maandelijkse lasten en had geen betalingsachterstand meer. De curator kon geen belang aantonen dat de verkoop noodzakelijk was voor de boedel.
De rechtbank oordeelde dat de curator geen verplichting heeft om de woning met negatieve waarde op te eisen en dat het stellen van een termijn door de curator in dit geval misbruik van recht zou zijn. Gezien de slechte marktomstandigheden en het ontbreken van een boedelbelang werd de verkoop verboden. De beschikkingen van de rechter-commissaris die de verkoop mogelijk maakten, werden vernietigd.
Uitkomst: De curator wordt verboden de verhypothekeerde woning op te eisen en te verkopen wegens ontbreken van een boedelbelang.