Conclusie
Glencore AG,
UTB Holding B.V.,
N.V. Zeeland Seaports,
mr. B. van Leeuwen q.q.en
mr. P.E. Butterman q.q., in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap
Zeeland Aluminium Company N.V.,
Glencore AG,
N.V. Nationale Borg-Maatschappij,
N.V. Zeeland Seaports,
mr. B. van Leeuwen q.q.en
mr. P.E. Butterman q.q., in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap
Zeeland Aluminium Company N.V.,
1.Inleiding
2.Feiten
het natrekkingsverweer).
het vermengingsverweer). Daarbij zou het niet verpande deel volgens haar als hoofdzaak moeten worden aangemerkt en het verpande deel als bestanddeel, zodat het pandrecht is tenietgegaan.
in beide zaken:
finished aluminium metal, liquid aluminium metal, rejected aluminium billets and ingots, aluminium metal to be re-melted) en voor een deel bij voorbaat gevestigd op zaken die op dat moment nog toekomstig waren (waaronder naast
“work-in-progress”, aluminium metal, aluminium billets and ingots”, ook de zojuist genoemde zaken vallen voor zover deze op 23 november 2011 nog niet waren geproduceerd).
“Het volcontinue proces werd (..) na het uitspreken van het faillissement (..) gecontinueerd, waardoor vanaf dat moment opnieuw eindproduct ontstond en vanaf dat moment in voorraad werd genomen.”(prod 16 UTB, cva curatoren nr 24). Omdat het productieproces niet per direct kon worden stilgelegd hebben de ovens vanaf datum faillissement tot vrijdag 16 december 2011 ’s avonds om 20.00 uur volcontinu gedraaid. De gecontroleerde noodstop van de ovens die toen is ingezet, was maandag 19 december 2011 gereed (vgl. prod. 16 UTB, cva van curatoren in de bodemzaak).
“Zoals Glencore aangeeft, ontstaat vloeibaar aluminium door aluinaarde bij temperaturen van zo’n 900 tot 1000 graden Celsius op te lossen in vloeibaar kryoliet en vervolgens de in het kryoliet opgeloste aluinaarde door middel van elektrolyse te splitsen, waarbij vloeibaar aluminium en zuurstof vrijkomt. Het vloeibaar aluminium ontstaat dus doordat met het verrichten van de nodige handelingen een chemische reactie teweeg wordt gebracht.”(nr. 5.17 mva ZSP resp. nr 5.6 mva NB c.s.).
“de nodige handelingen”en
“een chemische reactie”- en de nieuwe zaak (het vloeibare aluminium) heeft een andere identiteit dan de oorspronkelijke zaken (kryoliet en aluinaarde). Uit datgene wat het hof is bijgebracht in deze procedure, leidt het hof af dat de gebruikte aluinaarde eigendom was van Glencore. Over het kryoliet is niets gesteld. De vormende arbeid werd geheel verricht door Zalco, die ook de aanzienlijke kosten daarvan (waarvan elektriciteit de grootste post vormde, zo begrijpt het hof) droeg. Naar het voorlopig oordeel van het hof vormde Zalco aldus voor zichzelf met (in ieder geval deels) materiaal van een ander, in de zin van art. 5:16 lid 2 BW Pro, en werd Zalco eigenares van het nieuw gevormde vloeibare aluminium.
“Liquidators are not recognizing Glencore’s pledge on finished goods made after bankruptcy date and Glencore agrees to this.”
4.Belang bij het cassatieberoep
kande curator aan de pandhouder een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van zijn rechten op grond van art. 57 Fw Pro over te gaan. [19] Indien de pandhouder het onderpand niet binnen deze termijn heeft verkocht, dan
kande curator de goederen opeisen en met toepassing van art. 101 of Pro 176 Fw verkopen, onverminderd het recht van de pandhouder op de opbrengst. [20] Op grond van art. 58 lid 1 Fw Pro heeft de curator aldus twee cumulatieve bevoegdheden:
(i)het stellen van een redelijke termijn en
(ii)indien de termijn is verstreken het opeisen en verkopen van de goederen.
5.Beoordeling van cassatieberoep
Middel 1is gericht tegen rov. 4.11.6 in samenhang met rov. 4.10.4 en klaagt dat het hof met zijn oordeel over de voorraad vloeibaar aluminium in de ovens op de dag van het faillissement ten onrechte buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, althans dat dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In
middel 2, dat is gericht tegen rov. 4.11.6 in samenhang met rov. 4.10.1, wordt de door het hof gehanteerde verhouding tussen vóór en ná faillissement geproduceerd aluminium aan de orde gesteld.
Middel 3is gericht tegen rov. 4.11.5 en gaat over de juridische gevolgen van vermenging waarbij een nieuwe zaak ontstaat voor een pandrecht dat rust op één van beide verenigde zaken, in het bijzonder in een geval waarin het gaat om zaken (althans vloeistoffen) van dezelfde soort die toebehoren aan dezelfde eigenaar.
Middel 4bevat geen zelfstandige klacht.
natrekking;
samensmelting,
zaaksvorming;
vermenging, zowel wanneer een hoofdzaak aanwezig is (situatie 1) als wanneer dat niet het geval is (situatie 2). [45]
samensmelting [53] , doet de hiërarchische verhouding bestanddeel/hoofdzaak zich niet voor en ontstaat wel een nieuwe zaak: twee pijpen worden aan elkaar gelast en daardoor een nieuwe zaak die (mede-)eigendom wordt van de oorspronkelijke eigenaar(s). [54] Twee of meer zaken waarvan er geen als hoofdzaak valt aan te merken worden aldus verenigd, dat een nieuwe zaak ontstaat waarvan de samenstellende delen bestanddelen zijn. [55] Het doorslaggevende criterium is of de oude zaken naar verkeersopvatting onderdeel zijn gaan uitmaken van een nieuw ontstane zaak (art. 3:4 lid 1 BW Pro). De verbinding is geregeld in art. 5:14 lid 2 BW Pro waarin is bepaald dat indien geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en zij toebehoren aan verschillende eigenaars, deze mede-eigenaars van de nieuwe zaak worden, ieder voor een aandeel evenredig aan de waarde van de zaak. [56] Het gaat om de vorming van een nieuwe zaak maar dan zonder vormgeving van enige betekenis. Vermenging zonder hoofdzaak is een verbinding. [57] Behoorden de oorspronkelijke zaken aan meerdere eigenaars toe, dan treedt mede-eigendom op evenredig aan ieders inbreng. [58]
verbindingkwalificeren. [65]
vloeibaar. Zodra er sprake zou zijn van twee gestolde hoeveelheden aluminium kan er geen sprake zijn van vermenging in de zin van art. 5:15 BW Pro. Vloeibaar aluminium heeft zich in dit geval vermengd met vloeibaar aluminium, waardoor er op dat moment geen nieuwe zelfstandige zaak is ontstaan, maar een grotere hoeveelheid vloeibaar aluminium.
een belangrijk deelvan het aluminium zich in vloeibare toestand in de smeltovens bevond. In hoger beroep is hiertegen, zoals het onderdeel terecht betoogt, niet gegriefd. Partijen hebben voorts niet gesteld dat zich op de dag van het faillissement om 0.00 uur geen aanzienlijke hoeveelheid in de smeltovens bevond, dan wel dat er zodanig veel is uitgeleverd dat er op die dag na 16.00 uur nog maar relatief weinig aluminium in de ovens zat. Onbestreden is dat ten tijde van het faillissement alle ovens in bedrijf waren en dat het productieproces in volle omvang aan de gang was. Ik meen dan ook dat het hof buiten de (door partijen getrokken) grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Glencore heeft in haar schriftelijke toelichting aan de hand van cijfermateriaal dat in het geding is, laten zien dat het oordeel van het hof niet juist kán zijn, zodat dit oordeel ook onbegrijpelijk is in het licht van het daarover gevoerde partijdebat. Het onderdeel slaagt.
Onderdeel 1.3vult deze klacht aan door te betogen dat het oordeel van het hof ook in het licht van het gevoerde partijdebat en de overige stukken van het geding onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
middel 1gegrond is.