ECLI:NL:RBMAA:2012:BY3237

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
26 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
175462 / OT RK 12-1622
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:253 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proportionaliteit spoeduithuisplaatsing minderjarige na Shaken Baby Syndroom zusje

De rechtbank Maastricht behandelde een zaak betreffende de spoeduithuisplaatsing van een 22 maanden oude minderjarige, na een eerdere spoeduithuisplaatsing van haar zusje vanwege het Shaken Baby Syndroom veroorzaakt door de vader.

De Raad voor de Kinderbescherming had de uithuisplaatsing van de minderjarige aangevraagd vanwege zorgen over de veiligheid, mede omdat ouders afspraken niet nakwamen. De ouders stelden echter dat zij het gezin bij elkaar wilden houden en dat er geen concrete aanwijzingen waren dat de vader de minderjarige zou bedreigen.

De kinderrechter overwoog dat het acute gevaar dat zich had voorgedaan bij het zusje niet meer aanwezig was, omdat het zusje niet meer thuis woonde. Ook was gebleken dat de ouders in een beschermde woonomgeving leefden met dagelijkse hulpverlening. Gezien de reeds uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling en de inzet van een gezinsvoogd achtte de rechter voortzetting van uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk.

De beschikking handhaaft de ondertoezichtstelling voor drie maanden, maar beëindigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming zal verder onderzoek doen naar de noodzaak van een definitieve ondertoezichtstelling.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling wordt gehandhaafd, maar de machtiging tot uithuisplaatsing wordt beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum uitspraak: 26 oktober 2012
Zaaknummer: 175462 / OT RK 12-1622
De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:
[De minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [2010],
kind van:
[Moeder], wonende te [woonplaats], [adres],
verder te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.W.M. Hendriks
en
[Vader], wonende te [woonplaats], [adres],
verder te noemen: de vader,
advocaat mr. R.W.J.L. Loonen.
De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag.
1. Verder verloop van de procedure
Op 16 oktober 2012 heeft de kinderrechter, naar aanleiding van een door de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht ingediend verzoekschrift met bijlagen, de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van drie maanden en heeft machtiging verleend tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor de duur van vier weken.
Op 25 oktober 2012 zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op de verzoeken en de genomen beslissingen.
2. De standpunten van belanghebbenden
2.1
De Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad, heeft ter zitting nog aangevoerd dat de ouders tijdens het onderzoek voor het andere kind [X], zelf hebben aangegeven dat het niet goed ging in de thuissituatie met [de minderjarige] en dat zij hebben gevraagd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Dat stuk is nog niet opgenomen in het concept rapport dat inmiddels is uitgebracht. De hulpverlening heeft aangegeven dat de veiligheid op dit moment niet gewaarborgd kan worden. De raad heeft geprobeerd veiligheidskleppen in te bouwen door het opstarten van begeleiding. Nu de afspraken die met de ouders gemaakt zijn, niet worden nagekomen, is het in het belang van [de minderjarige] dat zij in een veilige setting kan verblijven en vandaar uit zal bekeken worden hoe het verder moet.
2.2
De advocaat heeft namens de moeder aangevoerd dat de ouders duidelijk hebben aangegeven wat ze willen en dat ze niet wisselend zijn in hun visie. De ouders pleiten ervoor om het gezin bij elkaar te houden. Zij geven aan dat [X] een huilbaby is, waardoor het hun te veel werd. Dat [de minderjarige] ook uit huis is geplaatst, vindt de moeder niet terecht. De moeder heeft grote moeite met de thans gestelde voorwaarde dat de vader enkel onder begeleiding contact mag hebben met [de minderjarige] en dat hij voorlopig elders moet verblijven. De moeder wil samen met de vader een gezin vormen. Als zij echter moet kiezen tussen de vader en [de minderjarige], kiest zij voor [de minderjarige].
2.3
De moeder heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij niet kan begrijpen dat de vader weg moet. Volgens de ouders hebben zij zich vaker niet aan de afspraken gehouden, zonder dat dit zulke verstrekkende consequenties had. De moeder geeft nog aan dat zij in een beschermde woonomgeving woont waar veel gezinnen met kinderen verblijven.
2.4
Namens de vader heeft zijn advocaat aangevoerd dat uit niets blijkt dat [de minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is nooit een probleem geweest tussen de vader en [de minderjarige]. Er is voorzichtigheid geboden na de gebeurtenissen rondom [X]. Er is geen enkele aanwijzing dat de vader [de minderjarige] iets zal aandoen, maar die veronderstelling is wel de leidraad waarom er nu van de zijde van de raad is ingegrepen. Gebleken is dat de moeder, na de komst van [X], de opvoeding en verzorging van de twee kinderen niet aankon. Er is geen enkele aanleiding om de vader niet in het gezin te laten. Nu [de minderjarige] uit huis is geplaatst, waar geen enkele indicatie voor is, is de vader weer teruggekeerd bij de moeder. Er moet nu gekeken worden hoe het verder moet. Met voldoende begeleiding kunnen de kinderen wellicht wel in het gezin opgroeien.
3. Verdere beoordeling
De kinderrechter is van oordeel, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, dat het in het belang van de minderjarige is dat de voorlopige ondertoezichtstelling wordt gehandhaafd.
De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht zal de komende drie maanden onderzoek doen dan wel laten doen in verband met de vraag of een definitieve ondertoezichtstelling al dan niet noodzakelijk is.
Met betrekking tot het verzoek [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg overweegt de kinderechter als volgt.
De aanleiding tot de verzoeken van de raad is gelegen in het Shaken Baby Syndroom waaraan het zusje van [de minderjarige], [X], geboren op [2012], door toedoen van de vader lijdt. Naar aanleiding hiervan heeft de kinderrechter [X] bij beschikking van 9 oktober 2012 voorlopig onder toezicht gesteld en tevens een machtiging gegeven [X] voor de duur van vier weken uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze beschikking heeft de kinderrechter na het horen van de raad en de belanghebbenden bij beschikking van 9 oktober 2012 gehandhaafd en het verzoek tot uithuisplaatsing van [X] voor de resterende termijn – tot 28 december 2012 – toegewezen.
Na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft de raad besloten ook de opvoedingssituatie van [de minderjarige] veilig te stellen. Dit is geschied in samenwerking met de ouders. De ouders zijn akkoord gegaan met een vooralsnog voorlopig huisverbod voor de vader, met dien verstande dat de vader niet zonder begeleiding van Radar samen met zijn dochter [de minderjarige] mag zijn. Toen bleek dat de ouders deze afspraken een aantal malen niet waren nagekomen en zich daar ook niet verder toe bereid verklaarden, heeft de raad tot indiening van de nu ter beoordeling voorliggende verzoeken besloten. De raad acht de ouders onvoldoende in staat zich aan de gemaakte afspraken te houden, waardoor de fysieke veiligheid van [de minderjarige] onaanvaardbaar en acuut in het geding is. Volgens de raad zijn er geen mogelijkheden in het netwerk rondom de ouders om op een andere wijze de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen.
De kinderrechter stelt voorop dat de raad zonder meer zorgvuldig heeft gehandeld. De kinderrechter is ook met de raad van oordeel dat er ook met betrekking tot [de minderjarige] sprake is van een zodanig bedreigende ontwikkeling dat het noodzakelijk is haar onder toezicht te stellen. De ouders stemmen hier zelf ook mee in.
Hoewel de door de raad betrachte voorzichtigheid alleszins respect verdient, kan de kinderrechter zich echter niet verenigen met het standpunt van de raad dat er geen andere mogelijkheden zijn om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen dan door middel van een uithuisplaatsing. Hiertoe overweegt de kinderrechter allereerst dat het acute gevaar dat zich jegens [X] heeft voltrokken het rechtstreekse gevolg was van de stress die de ouders ondervonden van de gezinsuitbreiding en in het bijzonder van het veelvuldige huilen van [X]. Nu [X] niet meer thuis woont, is deze acute stressfacor niet meer aanwezig.
De kinderrechter acht voorts van belang dat niet is gebleken dat in de periode waarin de ouders alleen met [de minderjarige] een gezin vormden sprake is geweest van gevaarzettende handelingen van de vader jegens [de minderjarige].
De kinderrechter acht voorts van belang dat de ouders in een beschermde woonvorm verblijven, waardoor dagelijkse hulpverlening in het gezin en daarmee een zekere mate van toezicht op het handelen van de ouders aanwezig zijn.
De kinderrechter overweegt ten slotte dat met het uitspreken van de voorlopige ondertoezichtstelling en de hiermee samenhangende tussenkomst van een gezinsvoogd in het gezin sprake is van een niet-vrijblijvende vorm van toezicht, die het, indien nodig, mogelijk maakt de veiligheid van [de minderjarige] door middel van aanwijzingen te garanderen.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het naar de huidige stand van zaken niet langer in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk is de uithuisplaatsing te doen voortduren.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
4. De beslissing
Handhaaft de beschikking van 16 oktober 2012, waarbij de minderjarige voor de duur van drie maanden onder toezicht is gesteld.
Bepaalt dat de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg met ingang van heden wordt beëindigd.
Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.
LF
Tegen deze beschikking kan voor wat betreft de uithuisplaatsing - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.