ECLI:NL:RBMAA:2012:BY7781
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot voorlopige voorziening in verzoekschriftprocedure verblijfsregeling
De vader heeft een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een verblijfsregeling voor zijn minderjarige dochter en verzocht om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De rechtbank oordeelt dat artikel 223 Rv Pro uitsluitend betrekking heeft op voorlopige voorzieningen in de dagvaardingsprocedure en dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor de analoge toepassing van dit artikel in de verzoekschriftprocedure. De wetgever heeft diverse bepalingen van de dagvaardingsprocedure wel expliciet van toepassing verklaard op de verzoekschriftprocedure, maar artikel 223 Rv Pro maakt hier geen deel van uit.
De rechtbank benadrukt dat de wet een zelfstandige en adequate rechtsgang biedt voor het verkrijgen van voorlopige voorzieningen in spoedeisende zaken binnen de verzoekschriftprocedure. Daarom wordt het verzoek van de vader afgewezen en wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot voorlopige voorziening.
Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure.