Conclusie
1.Ter inleiding.
( [2] )op de volgende overweging:
2.Algemene beschouwingen in verband met artikel 223 Rv Pro.
( [3] )
( [4] )
( [6] )
( [8] )
”( [9] )
( [10] )
( [11] )
vorderingtot het treffen van een voorlopige voorziening, is de vraag gerechtvaardigd of dat artikel niet ook zou mogen gelden voor de verzoekschriftprocedure. Waarom zouden we de ene procedure ten principale wel optuigen met allerlei accessoires, die we aan de andere procedure ten principale onthouden, terwijl er soortgelijke behoeften kunnen (en mogen) bestaan aan de zijde van de rechtzoekenden?”
( [12] )
( [13] )
“De redenering van het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 19 augustus 2010, LJN: BN4786, wordt niet gevolgd. Het feit dat voor verzoekschriftprocedures niet in het algemeen een bepaling is opgenomen omtrent de mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige voorziening kan zich naar het oordeel van de rechtbank laten verklaren vanuit het feit dat verzoekschriftprocedures vaak een ander karakter hebben dan dagvaardings-procedures. Zo is niet altijd sprake van twee partijen en van een geschil tussen die partijen. Daarnaast is het in veel gevallen zo dat in een verzoekschriftprocedure minder tijd verstrijkt tussen het moment van indiening en het moment van de uitspraak, zodat minder vaak de behoefte zal bestaan aan het treffen van een voorlopige voorziening. Dat de wetgever de mogelijkheid niet uitdrukkelijk heeft genoemd, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat de wetgever heeft beoogd het niet mogelijk te maken. Ook het feit dat voorlopige voorzieningen in het kader van een echtscheidingsprocedure wel geregeld zijn maakt dit oordeel niet anders. In de eerste plaats is in die zaken per definitie wel sprake van twee partijen, en daarnaast dient het opnemen van een limitatieve opsomming van mogelijke voorlopige voorzieningen in dat kader naar het oordeel van de rechtbank niet als een uitbreiding, maar juist als een inperking te worden opgevat; andere dan de daar genoemde voorlopige voorzieningen zijn niet mogelijk, waarmee impliciet wordt verwoord dat indien dit niet uitdrukkelijk was bepaald, de te verzoeken voorlopige voorzieningen onbegrensd waren geweest.”
3.Slotsom.
( [14] )