ECLI:NL:RBMID:2007:BB0284
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J.G. Lameijer
- I.J.M. Woltring
- M.A.V. van Aardenne
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksueel misbruik minderjarigen
De rechtbank Middelburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarige slachtoffers in de periode van mei 1994 tot april 1999. De tenlastelegging betrof onder meer het betasten van de (boven)benen en vagina van vier minderjarige slachtoffers.
Verdachte voerde een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege het niet opnemen van aangiften op geluidsband, zoals voorgeschreven in beleidsregels voor seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie en dat het niet opnemen van de aangiften niet leidde tot niet-ontvankelijkheid.
Na onderzoek van de zaak, waaronder terechtzittingen in april en juli 2007, concludeerde de rechtbank dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen was. De verklaringen waren onvoldoende specifiek en er ontbraken aanwijzingen die het bewijs konden versterken, met name voor handelingen na 1 juli 1996.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde en hief het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met onmiddellijke ingang. Een van de rechters was niet in staat het vonnis te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van seksueel misbruik.