ECLI:NL:RBMID:2008:BC8375
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nietigheid ontslag op staande voet en loonvordering afgewezen
Eiser trad op 1 juli 1995 in dienst bij Doens als magazijnmedewerker met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, later omgezet in onbepaalde tijd. Op 24 november 1997 werd hij op staande voet ontslagen, waarvan hij de nietigheid betwistte. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag nietig was en dat de arbeidsovereenkomst pas op 23 december 1998 eindigde.
Eiser vorderde loon, vakantiegeld en vergoedingen over de periode tot 23 december 1998, stellende dat de CAO graanbe- en verwerkende bedrijven van toepassing was, met een werkweek van 38 uur en een toeslag van 50% voor overwerk. Doens betwistte de toepasselijkheid van de CAO en stelde dat niet bewezen was dat eiser daadwerkelijk 50 uur per week werkte.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende feiten had gesteld om aan te tonen dat zijn functie hoger was ingeschaald dan magazijnmedewerker C en dat hij onvoldoende bewijs leverde van daadwerkelijk overwerk. De loonvordering werd daarom afgewezen. Ook de grieven tegen de proceskostenveroordeling faalden. De rechtbank bekrachtigde de eerdere vonnissen en veroordeelde eiser in de kosten van het geding.
Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de eerdere vonnissen, verklaart het ontslag op staande voet nietig en wijst de loonvordering af wegens onvoldoende bewijs.