ECLI:NL:RBMID:2008:BQ0815
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering schadevergoeding wegens seksueel misbruik door gedaagde
Drie eiseressen vorderen schadevergoeding van gedaagde wegens seksueel misbruik dat volgens eerdere strafrechtelijke vonnissen heeft plaatsgevonden. Gedaagde is in eerste aanleg en hoger beroep veroordeeld voor seksueel misbruik en verkrachting van de eiseressen in perioden tussen 1997 en 2001. Het gerechtshof heeft hem tot 30 maanden gevangenisstraf veroordeeld en een beperkte immateriële schadevergoeding toegekend.
Eiseressen stellen materiële en immateriële schade te hebben geleden, waaronder persoonlijkheidsstoornissen, posttraumatisch stresssyndroom en angststoornissen, alsmede inkomensschade door studievertraging. Zij beroepen zich op de omkeringsregel voor bewijs omtrent causaal verband en schade. Gedaagde betwist de feiten, wijst op cassatieberoep en stelt dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn. Tevens bestrijdt hij het causaal verband en de omvang van de schade.
De rechtbank oordeelt dat het arrest van het hof geen dwingend bewijs vormt vanwege het cassatieberoep, maar wel vrije bewijskracht heeft. Eiseressen hebben voorshands bewezen dat de feiten hebben plaatsgevonden. Gedaagde krijgt de gelegenheid om tegenbewijs te leveren. De verdere beslissing wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting voor nadere procedure.
De zaak betreft een complexe civiele procedure voortvloeiend uit strafrechtelijke veroordelingen, waarbij de bewijslast en het causaal verband tussen het misbruik en de schade centraal staan. De rechtbank stelt voorlopig vast dat de feiten aannemelijk zijn, maar laat ruimte voor nader bewijs van gedaagde.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor nadere procedure om gedaagde gelegenheid te geven tegenbewijs te leveren.