ECLI:NL:RBMID:2009:BK9209
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering proceskosten na weigering exequatur Engelse beschikking
In deze civiele procedure stond de vordering van de gedaagde in conventie centraal tot betaling van proceskosten die waren vastgesteld in een Engelse beschikking van de High Court of Justice van 13 februari 2008. De rechtbank Breda had eerder geweigerd exequatur te verlenen omdat de proceskostenbeslissing voortvloeide uit meerdere procedures, waaronder huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling, die niet onder de toepassingsgebieden van de EEX- en Brussel II-bis Verordeningen vallen.
De gedaagde in conventie had daarop het voorwaardelijke karakter van zijn vordering laten vervallen, waarna de rechtbank Middelburg tot inhoudelijke beoordeling overging. De eiseres in conventie voerde onder meer aan dat zij niet gehoord was in de Engelse procedure en dat de hoogte van de proceskosten in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank oordeelde dat de Engelse beschikking een gerechtelijke uitspraak betreft en dat de eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij niet behoorlijk was gehoord.
Ook de stelling dat de hoogte van de proceskosten niet overeenkomt met Nederlandse normen werd verworpen, evenals het betoog dat de Engelse rechter geen rechtsmacht had. De rechtbank concludeerde dat de vordering toewijsbaar is, inclusief de gevorderde rente en nakosten. Gezien de relatie tussen partijen werden de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van proceskosten toe, inclusief rente en nakosten, met compensatie van proceskosten tussen partijen.