Eisers, gebruikers van individuele voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), maakten bezwaar tegen besluiten van de gemeente Houten die hen vanaf 1 januari 2012 een eigen bijdrage oplegden. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat deze terecht ontvankelijk was, ondanks dat de hoogte en duur van de eigen bijdrage nog niet waren vastgesteld.
De eisers voerden aan dat de besluiten geen wettelijke grondslag hadden, met name omdat de gemeenteraad in de Verordening het woord 'kan' gebruikte en daardoor onduidelijkheid zou bestaan over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage. De rechtbank verwierp dit en verwees naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die bevestigt dat de gemeenteraad expliciet heeft besloten tot invoering van de eigen bijdrage.
Verder wees de rechtbank de beroepen af die stelden dat de tweejaarstermijn uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning was overschreden, dat geen overgangsregeling was opgenomen, en dat een bruikleenovereenkomst niet eenzijdig gewijzigd kon worden. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De rechtbank concludeerde dat de besluiten zorgvuldig en binnen de bevoegdheid waren genomen en verklaarde het beroep ongegrond.