Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 6 februari 2013,
- het proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2013.
2.De feiten
Op 5 juli 2006 heeft professor [A] meegedeeld dat de oogklachten en overige gezondheidsklachten het gevolg waren van de medicatie die is toegediend in verband met de HIV-gezondheidsklachten. (…) Professor [A] zou cliënte ook geadviseerd hebben om haar letselschade te verhalen, nu er sprake was van een fout bij de behandeling van haar HIV-gezondheidsklachten”
3.Het geschil
- bepaalt dat UMCU aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële letselschade, die het gevolg is van het toerekenbaar tekortschieten van UMCU bij de uitvoering van de behandelovereenkomst jegens [eiseres] en
- UMCU veroordeelt om aan [eiseres] te betalen de volledige materiële en immateriële schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over de schadeposten vanaf de data waarop deze opeisbaar zijn geworden, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der volledige voldoening,
- UMCU veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.De beoordeling
verjaring
Voorts heeft de Hoge Raad in het arrest van (31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, [naam]) geoordeeld dat de korte verjaringstermijn pas begint te lopen zodra de benadeelde of diens wettelijk vertegenwoordiger voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade.
.De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze redenering van Danner.