ECLI:NL:RBMNE:2013:7202

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2013
Publicatiedatum
16 december 2013
Zaaknummer
C16131349 F
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 BWArt. 2:23a BWArt. 2:248 BWArt. 3:45 BWArt. 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissementsverklaring van ontbonden besloten vennootschap wegens mogelijke baten uit bestuurdersaansprakelijkheid en paulianeuze betalingen

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek tot faillietverklaring van de besloten vennootschap Ouderkerk Holding 2012 B.V., die op 22 juni 2013 was ontbonden zonder dat er vereffening had plaatsgevonden. Verzoekster, NUON Sales Nederland, had een openstaande vordering wegens geleverde energie die niet was voldaan.

Verzoekster stelde dat de schuldenares was opgehouden te betalen en nog over baten beschikte, onder meer door een mogelijke vordering van de curator op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en paulianeuze betalingen. De schuldenares betwistte dit en stelde geen baten meer te hebben ten tijde van ontbinding.

De rechtbank oordeelde dat op grond van de EU Insolventieverordening de Nederlandse rechter bevoegd was. Gezien de betaling van € 11.662,32 aan de bestuurder en het depot van € 25.000,00 bij een makelaar achtte de rechtbank het niet onaannemelijk dat er baten aanwezig waren die bij faillissement zouden kunnen worden gerealiseerd. Er was sprake van pluraliteit van schuldeisers en de schuldenares verkeerde in staat van betalingsonmacht.

De rechtbank verklaarde de schuldenares failliet, benoemde een curator en rechter-commissaris, en gaf de curator bevoegdheden tot onderzoek en beheer van de boedel. Het vonnis werd gewezen door mr. R.W.J. van Veen op 9 december 2013.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontbonden besloten vennootschap failliet vanwege vermoedelijke baten uit bestuurdersaansprakelijkheid en paulianeuze betalingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/13/1349 F

vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken,

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

NUON SALES NEDERLAND,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: verzoekster,
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker,
tegen

de besloten vennootschap

OUDERKERK HOLDING 2012 B.V.,
statutair gevestigd te Aboude,
hierna: de schuldenares,
advocaat: mr. M. Uijen.

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift tot faillietverklaring is op 1 oktober 2013 ter griffie van deze rechtbank ingediend.
Het verzoekschrift is behandeld in raadkamer van deze rechtbank van 3 december 2013. Ter zitting zijn verschenen:
  • mr. M.C. Franken-Schoemaker, advocaat van verzoekster;
  • mr. M. Uijen, advocaat van de schuldenares;
  • de heer [A], directeur en aandeelhouder van [B.V.]

De feiten

Verzoekster heeft een vordering op de schuldenares uit hoofde van geleverde energie ten bedrage van € 10.517,91. De schuldenares heeft deze vordering niet betaald. Met ingang van 22 juni 2013 is de schuldenares ontbonden. Er heeft geen vereffening plaatsgevonden in de zin van artikel 2:19 lid 5 BW Pro.

Het verzoek en het verweer

Verzoekster stelt dat de schuldenares verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Zij laat meerdere schuldeisers onbetaald en dient in staat van faillissement te worden verklaard omdat zij nog zou beschikken over baten. De baten van de schuldenares zouden bestaan uit een mogelijke vordering die een curator, als het faillissement van de schuldenares zou worden uitgesproken, zou kunnen instellen in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid. In augustus 2012 heeft de schuldenares haar inventaris en goodwill verkocht voor een bedrag van € 75.000,00. Een gedeelte van dit geldbedrag is gebruikt om schuldeisers af te lossen. Een gedeelte van € 11.662,32 is overgemaakt aan de [B.V.](hierna: HME), bestuurder en enig aandeelhouder van de schuldenares, terwijl op dat moment al vast stond dat de schuldenares in een toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen. Daarnaast bestaat er nog onduidelijkheid over een gedeelte van bovengenoemd geldbedrag van € 25.000,00, dat in depot is gestort bij een makelaar en mogelijk (ook) nog aan de schuldenares toe zou komen.
Mr. Uijen heeft ter zitting het bovenstaande betwist namens de schuldenares. De schuldenares zou geen baten meer hebben gehad ten tijde van haar ontbinding. Om die reden is er geen faillissement aangevraagd. Op het moment dat bovengenoemd geldbedrag aan HME is uitbetaald had HME een tegenvordering op de schuldenares van een hoger bedrag.

Beoordeling van het verzoek

Nu niet is gesteld of gebleken dat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenares zich in een andere lidstaat bevindt dan die waarin de plaats van haar statutaire zetel is gelegen, gaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de EU Insolventieverordening uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
Vast staat dat de schuldenares is ontbonden op 22 juni 2013 en dat er geen vereffening heeft plaatsgevonden. Uit artikel 2:19 lid 5 BW Pro jo. artikel 2:23a lid 4 BW volgt dat, wanneer er op het moment van de ontbinding nog baten aanwezig zijn, de vennootschap na haar ontbinding niet ophoudt te bestaan totdat er vereffening heeft plaatsgevonden. Wanneer vervolgens blijkt dat de baten van de vennootschap de schulden (dreigen te) overtreffen dient de vereffenaar aangifte tot faillietverklaring te doen, tenzij alle schuldeisers instemmen met een vereffening buiten faillissement.
Om te beoordelen of er terecht geen vereffening van de schuldenares heeft plaatsgevonden, dient de vraag te worden beantwoord of er op het moment van de ontbinding van de schuldenares nog baten aanwezig waren. De rechtbank sluit hiervoor aan bij het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 6 september 2012 (LJN BX7085). Op grond van de eerdergenoemde betalingen van € 11.662,32 aan de bestuurder en van € 25.000,00 aan de makelaar, is naar oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk dat dat er in geval van faillissement een vordering ingevolge artikel 2:248 BW Pro (bestuurdersaansprakelijkheid) dan wel ingevolge artikel 3:45 BW Pro (paulianeuze betaling) zou worden ingesteld door de curator, uit welke aanspraken een bate voor de boedel kan voortvloeien. Verzoekster heeft derhalve recht en belang bij een faillietverklarfing van de schuldenares, waarna de curator een onderzoek instelt naar de aanwezigheid van (eventueel te realiseren) vermogen.
Nu onweersproken is dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers, stelt de rechtbank vast dat na summier onderzoek is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenares in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
Het verzoek zal met inachtneming van het bepaalde bij de artikelen 1, 2, 4, 6, en 14 van de Faillissementswet worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart
de besloten vennootschap OUDERKERK HOLDING 2012 B.V.,statutair gevestigd te Aboude, feitelijk gevestigd [adres], [postcode] [vestigingsplaats], correspondentieadres: Postbus[postbusnummer], [postcode] [vestigingsplaats], ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dossiernummer [nummer],
in staat van faillissement;
benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank, mr. M.H.F. van Vugt,
en stelt aan tot curator mr. M. Mos, advocaat te Nieuwegein;
geeft de curator last tot het openen van de aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op
9 december 2013 te 9.00 uur.