De zaak betreft het bezwaar en beroep van Stichting Holland Opera tegen subsidiebesluiten waarbij concurrenten subsidie ontvingen en haar eigen aanvraag werd afgewezen. De rechtbank beoordeelt of eiseres voldoende procesbelang en belanghebbendheid heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de besluiten gericht aan de andere subsidieontvangers.
De rechtbank stelt vast dat hoewel eiseres geen directe concurrent is in economische zin, haar belang wel rechtstreeks wordt geraakt omdat alle partijen aanspraak maken op hetzelfde budget binnen een kwalitatief verdeelsysteem (tendersysteem). Hierdoor kan een inhoudelijke beoordeling leiden tot een gewijzigde rangorde en mogelijk toekenning van subsidie aan eiseres. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens vermeend gebrek aan belanghebbendheid en procesbelang.
Daarnaast beoordeelt de rechtbank de inhoudelijke motivering van het bestreden besluit II over de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiseres. De rechtbank oordeelt dat de motivering over het aspect ondernemerschap onvoldoende is, met name vanwege onjuiste uitgangspunten over publieksinkomsten. Ook is de motivering over de spreiding onvoldoende inzichtelijk omdat deze niet is afgezet tegen andere aanvragers. De rechtbank staat een bestuurlijke lus toe zodat verweerder de gebreken kan herstellen en eiseres inzage krijgt in relevante stukken van andere organisaties, met inachtneming van de Awb.
De rechtbank houdt verdere beslissing aan tot de einduitspraak en bepaalt termijnen voor verweerder om de gebreken te herstellen. De uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse en mr. M. ter Brugge, leden.