De kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde een zaak waarin eiser stelde dat zijn ontslag bij Herubo Lijmwerken B.V. kennelijk onredelijk was. Eiser moest bewijzen dat andere ex-werknemers na zijn ontslag dezelfde werkzaamheden bleven verrichten. Hij overlegde verklaringen waaruit bleek dat ex-werknemers via een uitzendbureau en incidenteel ook zijn neef werkzaamheden bleven uitvoeren voor Herubo.
De kantonrechter vond dat eiser aan zijn bewijsopdracht had voldaan en dat Herubo onvoldoende had onderbouwd dat deze medewerkers niet structureel voor Herubo werkten. Dit leidde tot de conclusie dat er geen sprake was van een structureel tekort aan werk en dat het ontslag op een valse of voorgewende reden was gebaseerd, waardoor het kennelijk onredelijk was.
Vervolgens werd de schadevergoeding vastgesteld. Eiser had een bedrag van €30.000 netto gevorderd, bestaande uit inkomensverlies en outplacementkosten. De kantonrechter schatte de duur van de werkloosheid op circa 18 maanden en rekende het inkomensverlies uit op €18.640 bruto. Voor outplacement werd een bedrag van €5.000 netto toegekend, omdat Herubo onvoldoende inspanningen had verricht om eiser te begeleiden.
De vordering tot verklaring van kennelijk onredelijk ontslag werd afgewezen omdat de schadevergoeding toereikend was. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Herubo werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten.