Partijen, gehuwd in gemeenschap van goederen, zijn gescheiden en wensen de verdeling van hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, waaronder de voormalige echtelijke woning met een terugkoopregeling via de woningbouwvereniging.
De kern van het geschil betreft de waardebepaling van de woning. De vrouw stelt dat de woning moet worden toegerekend tegen de taxatiewaarde van 190.000 euro, waarbij rekening is gehouden met de terugkoopregeling. De man betwist dit en stelt dat de waarde moet worden berekend volgens de formule uit de koopgarantbepalingen, wat leidt tot een lagere waarde van 141.625 euro.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen mondeling zijn overeengekomen de taxatiewaarde als waarde te hanteren. De taxatiewaarde betreft de vrije onderhandse verkoopwaarde (variabele T2) in de formule voor terugkoopprijsberekening. De terugkoopregeling bepaalt de uiteindelijke waarde, niet de taxatiewaarde zelf.
Verder wijst de rechtbank de vorderingen van de vrouw af die zien op medewerking van de man bij toebedeling en terugverkoop, omdat de man bereid is mee te werken. De woning wordt aan de man toebedeeld tegen een waarde van 141.625 euro, waarbij hij de vrouw de helft van deze waarde moet vergoeden. De man neemt de hypotheekschuld voor zijn rekening, en de vrouw is voor de helft draagplichtig. De inboedel wordt verdeeld zoals feitelijk al geschied, zonder verdere verrekening.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.