ECLI:NL:RBMNE:2014:195

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2014
Publicatiedatum
27 januari 2014
Zaaknummer
360529 / HA RK 14-7
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 39 lid 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 39 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek en verbod op verdere wrakingsverzoeken in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen leden van de wrakingskamer van de rechtbank Midden-Nederland in een bestuursrechtelijke procedure. Dit verzoek was niet tijdig ingediend en onvoldoende gemotiveerd, aangezien niet alle rechters bij naam werden genoemd en de feiten waarop het verzoek was gebaseerd al eerder bekend waren.

De rechtbank beoordeelde dat het verzoek niet voldeed aan de eisen van het wrakingsprotocol en de Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd op grond van misbruik van recht bepaald dat verdere wrakingsverzoeken van verzoeker tegen leden van de wrakingskamer in deze zaak niet meer in behandeling worden genomen.

De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en is onherroepelijk. Hiermee wordt voorkomen dat de procedure wordt vertraagd door herhaalde wrakingsverzoeken die niet voldoen aan de formele vereisten.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en verdere wrakingsverzoeken niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie: Lelystad
Rekestnummer: 360529 / HA RK 14-7
Zaaknummer: WK2014/003
Beslissing van 20 januari 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken.
op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verder ook te noemen verzoeker.

1.De procedure

1.1
Bij de rechtbank Midden-Nederland, afdeling bestuursrecht, locatie Utrecht, is een zaak aanhangig met zaaknummer UTR 13 / 1386 BESLU, verzoeker is partij in deze zaak. De zaak is in behandeling bij de meervoudige kamer bestaande uit mr. J.M. Willems, mr. J.W. Veenendaal en mr. E.J.W. Verhaagh. Op 8 december 2013 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van deze rechters ingediend.
1.2
Voormeld verzoek, bij de rechtbank geregistreerd onder rekestnummer 358871 / HA RK 13-331, stond gepland voor een behandeling ter terechtzitting van 7 januari 2014 om 10:30 uur. De samenstelling van de wrakingskamer was als volgt, mr. P. Bender, mr. P.S. Elkhuizen en mr. C.J. Hofman. Op 6 januari 2014 heeft verzoeker mrs. Bender, Elkhuizen en Hofman gewraakt in de wrakingszaak met rekestnummer 358871 / HA RK 13-331.

2.De gronden van het verzoek

2.1
Aan zijn verzoek heeft verzoeker het volgende ten grondslag gelegd:
  • het niet verstrekken van het zittingsrooster van de wrakingskamer van de rechtbank Midden-Nederland;
  • het behandelen van verzoekers wrakingsverzoek binnen de rechtbank Midden-Nederland;
  • het buitenproportioneel optreden van mr. J. Sap en mr. P. Bender als voorzitter en plv. voorzitter in eerdere wrakingszaken van verzoeker;
  • het niet in acht nemen van het wrakingsprotocol.

3.De beoordeling van het verzoek

3.1
Op grond van artikel 10.3 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Midden-Nederland worden wrakingsverzoeken die zijn gericht tegen (leden van) de wrakingskamer niet in behandeling genomen, indien zij kennelijk niet voldoen aan de in paragraaf 4 vermelde eisen.
3.2
Conform paragraaf 4.1 moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden bekend zijn geworden bij de verzoeker. Uit paragraaf 4.1 volgt voorts dat een wrakingsverzoek gemotiveerd dient te zijn ten aanzien van iedere rechter op wie het betrekking heeft. In paragraaf 4.3 is vermeld dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om kennelijk niet-ontvankelijke verzoeken tot wraking van de leden van de wrakingskamer buiten behandeling te laten.
3.3
In dit geval voldoet het verzoek om mrs. Elkhuizen en Hofman te wraken niet aan de daaraan te stellen eisen. Verzoeker heeft immers slechts mr. Bender bij naam genoemd en mrs. Elkhuizen en Hofman komen in zijn verzoek in het geheel niet voor, dit terwijl deze namen bij verzoeker wel bekend zijn. Daarnaast is het wrakingsverzoek slechts gemotiveerd ten aanzien van mr. Bender, dit terwijl paragraaf 4.1 voorschrijft dat het verzoek ten aanzien van iedere rechter gemotiveerd wordt.
3.4
In dit geval voldoet het verzoek om mr. Bender te wraken evenmin aan de daaraan te stellen eisen. Reeds bij schrijven van 11 december 2013 is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat zijn wrakingsverzoek zou worden behandeld door de mrs. Bender, Elkhuizen en Hofman. Verzoeker legt aan zijn verzoek een aantal zaken ten grondslag dat reeds op 11 december 2013, of zelfs voorafgaand daaraan, aan hem bekend is geworden. Verzoeker heeft zijn verzoek echter pas gedaan op 6 januari 2014, één dag voordat de behandeling van het eerste wrakingsverzoek gepland stond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker zijn verzoek aldus niet gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan hem bekend zijn geworden en is daarmee niet voldaan aan paragraaf 4.1.
3.5
Nu het verzoekschrift klaarblijkelijk niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen verplicht ook artikel 39 lid 2 Rv Pro de rechtbank niet tot het horen van verzoeker. Met dat artikel wordt beoogd verzoekers de gelegenheid te bieden te worden gehoord op de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan zij menen dat de onpartijdigheid van één of meer bepaalde rechters in geding is. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever beschouwd als een debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank in dit geval echter niet toe omdat het verzoek aanstonds niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.6
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn er termen aanwezig thans reeds te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken van verzoeker tegen leden van de rechtbank belast met de behandeling van wrakingsverzoeken in deze zaak niet in behandeling zullen worden genomen. Ingevolge artikel 39 lid 4 Rv Pro heeft de rechtbank de bevoegdheid om dit te bepalen indien er sprake is van misbruik. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van misbruik als bedoeld in dit artikel, nu het onderhavige wrakingsverzoek aanstonds niet ontvankelijk is en door het herhaald indienen van wrakingsverzoeken in dezelfde en samenhangede procedures niet kan worden toegekomen aan de (verdere) inhoudelijke behandeling van de zaak.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2
bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van leden van de rechtbank belast met de behandeling van wrakingsverzoeken in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. O.E. Mulder (voorzitter), mr. K.J. Veenstra en mr. drs. M.C.P. de Ridder in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van Gaal en in openbaar uitgesproken op 20 januari 2014.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.