De zaak betreft een geschil tussen een bv en twee echtgenoten over de verdeling van onroerende zaken die door de echtgenoten aan één van hen zijn toegedeeld kort na het leggen van conservatoir beslag door de bv. De bv vordert vernietiging van deze verdelingen op grond van de actio pauliana wegens benadeling van haar verhaalsmogelijkheden.
De rechtbank oordeelt dat de verdeling van de woning in woonplaats 2 niet tegen de bv kan worden tegengeworpen en wijst die vordering af. Ten aanzien van de woning in woonplaats 1 stelt de rechtbank vast dat de nominale omvang van het vermogen niet is verminderd, maar dat de samenstelling is gewijzigd, waardoor de verhaalsmogelijkheden van de bv zijn bemoeilijkt. De echtgenoten hebben onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van benadeling.
De rechtbank stelt dat vernietiging van de verdeling alleen kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat de vordering van de bv jegens de echtgenoot waarvoor de actio pauliana is ingesteld, in rechte of via een vaststellingsovereenkomst komt vast te staan. Omdat de woning woonplaats 1 inmiddels is verkocht, kan de verdeling niet meer ongedaan worden gemaakt en wordt de vordering tot ongedaanmaking afgewezen.
De reconventionele vorderingen van de echtgenoten worden afgewezen onder dezelfde voorwaarde. De proceskosten worden deels gecompenseerd. Het vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en op 9 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.