De zaak betrof een kort geding aangespannen door twee exploitanten van prostitutieboten aan het Zandpad in Utrecht tegen de burgemeester van Utrecht en de gemeente. De exploitanten vorderden rectificatie en een verbod op het in verband brengen met mensenhandel naar aanleiding van een interview waarin de burgemeester sprak over misstanden aan het Zandpad.
De burgemeester had in het interview aangegeven dat het terecht was dat vergunningen waren ingetrokken vanwege ernstige misstanden, zonder de exploitanten bij naam te noemen. De exploitanten stelden dat zij onterecht werden geassocieerd met mensenhandel en dat er geen bewijs was voor hun betrokkenheid.
De voorzieningenrechter overwoog dat het recht op vrijheid van meningsuiting van de burgemeester zwaarwegend was, zeker gezien de ernstige aard van de misstanden en de strafrechtelijke veroordelingen die op het Zandpad hadden plaatsgevonden. Uit bestuurlijke rapportages en verklaringen van politie-experts bleek dat er serieuze aanwijzingen waren dat ook medewerkers van de exploitanten betrokken waren bij mensenhandel.
Daarom was de uitlating van de burgemeester niet onrechtmatig jegens de exploitanten. De vorderingen tot rectificatie en verbod werden afgewezen en de exploitanten werden veroordeeld in de proceskosten.