Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
28 december 2009 verweerder heeft geïnformeerd over zijn nieuwe arbeidsovereenkomst per 1 januari 2010 met het daarbij overeengekomen loon. Uit die brief blijkt duidelijk dat het gaat om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eiser heeft daarbij verder gewezen op de relevantie van overuren voor het salaris en daarbij verweerder gevraagd naar de wijze waarop daarmee wordt omgegaan. Niet is gebleken dat verweerder heeft gereageerd op eisers vraag over de overuren. Verweerder heeft naar aanleiding van de brief van 28 december 2009 volstaan met een verzoek om loonstroken van oktober 2009 tot en met december 2009. Verder is gebleken, zoals verweerder ook ter zitting heeft erkend, dat verweerder in de voorgaande jaren telkens om salarisspecificaties heeft gevraagd en per jaar achteraf - met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO - heeft bepaald op welk bedrag eiser in de jaren 2007 en 2008 recht had. Ook de omstandigheid dat verweerder in januari 2010 alleen heeft verzocht om loonstroken over de maanden september tot en met december 2009 en hij daarna geen dergelijk verzoek meer heeft gedaan, sterkt de rechtbank in haar oordeel dat eiser erop heeft mogen vertrouwen dat verweerder niet meer informatie van hem nodig had. Gelet op de eerdere handelwijze van verweerder mocht eiser er dus van uitgaan dat op dezelfde wijze een berekening achteraf over 2010 zou volgen. Voor zover verweerder er ter zitting op heeft gewezen dat deze handelwijze in de loop der tijd is veranderd vanwege de trend bij het Uwv dat steeds meer verantwoordelijkheid bij de burger wordt gelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit niet aan eiser kan worden tegengeworpen, omdat niet is gebleken dat verweerder eiser hiervan op de hoogte heeft gesteld.
1 april 2013 betreft. Daarvoor is redengevend dat eiser pas op 24 maart 2013, door middel van het overleggen van het wijzigingsformulier en de arbeidsovereenkomst van 19 december 2011, aan verweerder heeft meegedeeld dat hij een dag extra in de week is gaan werken. Eiser heeft weliswaar betoogd dat hij de uitbreiding van uren wel tijdig via een brief aan het Uwv heeft doorgegeven en dat hij hier nog over heeft gebeld, maar verweerder heeft dat betwist en in het dossier ontbreken de beweerde brief en telefoonnotities hierover. Ook in beroep heeft eiser zijn stellingen niet verder onderbouwd. De bewijslast voor verzending van stukken rust op de verzender, in dit geval dus eiser. Hij is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij een brief heeft gestuurd, dus gaat de rechtbank er van uit dat eiser geen brief heeft verstuurd. Op dezelfde gronden acht de rechtbank ook niet aannemelijk dat eiser hierover zou hebben gebeld. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat eiser deze wijziging met ingang van 1 januari 2012 niet onverwijld aan verweerder heeft doorgegeven.
1 januari 2012. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 29a, eerste lid, eerste volzin, van de WAO.
Zoals hiervoor in overweging 5.7 is overwogen, moet in het geval van eiser worden uitgegaan van een voortdurende overtreding waarbij geen afzonderlijke periodisering van het tijdvak mogelijk is. De rechtbank, aansluiting zoekend bij de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken Ecer en Zeyrek tegen Turkije van 27 februari 2001 (www.hudoc.echr.coe.int; nrs. 29295/95 en 29363/95) en Veeber tegen Estland (Nr. 2) van 21 januari 2003 (nr. 45771/99, EHRC 2003/23), is van oordeel dat het toepasselijk verklaren in wet- en regelgeving van het nieuwe en strengere rechtsregime op een voortdurende overtreding die al eerder is begonnen, op zichzelf niet in strijd is met genoemde artikelen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het in het tweede lid van artikel XXV van de Wet aanscherping neergelegde overgangsrecht als zodanig niet in strijd is met die artikelen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het overgangsrecht om die reden buiten toepassing te laten.
5.11. Gelet op het voorgaande had de boete vanwege de voortdurende overtreding over het tijdvak van 1 januari 2012 tot aan 1 januari 2013 moeten worden bepaald volgens de in die periode geldende wet- en regelgeving. Alleen voor zover de overtreding is begaan in de periode na 1 januari 2013, had het met ingang van die datum op grond van de Wet aanscherping geldende rechtsregime moeten worden toegepast. Uitgaande van de schending van de inlichtingenplicht vanaf 1 januari 2012 tot 1 april 2013 en gelet op gedingstuk B47 en de toelichting in het bestreden besluit op de berekening van het benadelingsbedrag stelt de rechtbank het totale benadelingsbedrag vast op € 7.467,85. Dit bedrag valt te splitsen in een deel van voor 1 januari 2013 van € 5.670,85 en een deel van na 1 januari 2013 van € 1.797,-. Vaststaat dat verweerder verminderde verwijtbaarheid heeft aangenomen, zodat de boete gebaseerd op het benadelingsbedrag tot 1 januari 2013 op grond van de Beleidsregel boete werknemer 2010 met 50 procent moet worden verlaagd. Verweerder heeft ter zitting ook erkend dat, als zou worden uitgegaan van het oude regime, inclusief verweerders toenmalige beleid, dit percentage had moeten worden toegepast. Bij de vaststelling van de boete gebaseerd op het benadelingsbedrag na 1 januari 2013 wordt in ieder geval rekening gehouden met een mate van verwijtbaarheid van 75 procent conform de regeling in de Beleidsregel boete 2013.
- in hoeverre de rechter van oordeel is dat een evenredige boete is opgelegd, rekening houdend met de mate waarin zowel de wet- en regelgever als het bestuursorgaan invulling heeft gegeven aan de toets aan het evenredigheidsbeginsel.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit de opgelegde boete in het primaire besluit 2 betreft;
- herroept het primaire besluit 2, legt aan eiser een boete op van € 1.640,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.446,-.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.