Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
op tegenspraakgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 februari 2014 een ontnemingsvordering tegen verdachte, die eerder veroordeeld was voor het aanwezig hebben van ongeveer 555 hennepplanten. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €112.303,20, later gewijzigd naar €106.766,84, met aftrek van een vordering van de benadeelde partij.
Verdachte werd vrijgesproken van het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep, maar veroordeeld voor het aanwezig hebben van de planten. De verdediging betoogde primair tot vrijspraak en subsidiair dat de vordering gebaseerd was op een onjuiste aanname over het aantal oogsten.
De rechtbank oordeelde dat uit het dossier niet kan worden vastgesteld of verdachte daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Er is slechts vastgesteld dat verdachte af en toe verbleef in de woning met de kwekerij en kennis had van de hennep, maar zijn rol en eventuele voordeel zijn niet vastgesteld. Daarom werd de ontnemingsvordering afgewezen.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genoten.