Uitspraak
,te [woonplaats], eiser
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser werd op 1 januari 2010 mishandeld door de eigenaar van een hond met een hondenriem en gebeten door diens hond. De eigenaar werd strafrechtelijk vrijgesproken van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het aansturen van de hond, maar veroordeeld voor mishandeling met de hondenriem. Eiser vroeg een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg), welke werd afgewezen omdat niet aannemelijk was dat het letsel door de hondenbeet het gevolg was van een opzettelijk geweldsmisdrijf.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht waarde hecht aan het strafrechtelijk oordeel en dat de getuigenverklaringen die eiser aanvoerde onvoldoende aanleiding geven om daarvan af te wijken. Tevens stelt de rechtbank dat verweerder het letsel door de hondenbeet buiten beschouwing mocht laten omdat niet aannemelijk is dat dit letsel het gevolg is van een opzettelijk geweldsmisdrijf. Wel is het beroep gegrond verklaard wegens schending van het hoor en wederhoor, omdat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op informatie uit een telefoonnotitie van 24 september 2013.
Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat eiser alsnog gelegenheid heeft gehad op die informatie te reageren tijdens het beroepschrift en de zitting. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het vonnis is uitgesproken door rechter M. ter Brugge op 10 november 2014.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van hoor en wederhoor, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand, en proceskosten en griffierecht worden aan eiser vergoed.