Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Utrecht
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 4 december 2014 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet door het exploiteren van een hennepkwekerij. De officier van justitie vorderde betaling van het geschatte voordeel van maximaal €72.188,80.
Tijdens de terechtzitting van 20 november 2014 werd vastgesteld dat verdachte niet aanwezig was, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. De verdediging betwistte de hoogte van het voordeel en stelde dat de opbrengst aanzienlijk lager was dan door het OM gesteld. De rechtbank oordeelde echter dat de uitgangspunten van het BOOM-rapport en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel juist waren, maar hield rekening met de betrokkenheid van een derde die de opbrengst deelde.
Op basis van verklaringen en omstandigheden halveerde de rechtbank het geschatte voordeel tot €40.081,60, verminderd met kosten van €7.974,40, wat resulteerde in een definitief ontnemingsbedrag van €32.107,20. De rechtbank wees het verweer van de verdediging dat verdachte niet tot betaling in staat zou zijn af wegens onvoldoende onderbouwing. De betalingsverplichting werd derhalve opgelegd aan verdachte.
Uitkomst: De rechtbank legt aan verdachte een betalingsverplichting van €32.107,20 op als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.