De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 2 december 2014 een verzoek tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, opgelegd aan de veroordeelde wegens een zedendelict. De bijzondere voorwaarden van de proeftijd waren onduidelijk geformuleerd, waardoor de veroordeelde niet wist welke gedragingen waren toegestaan. De officier van justitie verzocht om wijziging van deze voorwaarden, terwijl de verdediging primair opheffing en subsidiair wijziging van de voorwaarden vorderde.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de huidige voorwaarden onvoldoende duidelijk waren en dat het voor veroordeelde praktisch onmogelijk was om minderjarige meisjes op zijn perceel volledig te vermijden. De rechtbank wees het verzoek tot tenuitvoerlegging af en verwierp het primaire verzoek tot opheffing van de voorwaarden vanwege het herhalingsgevaar. Wel werden de voorwaarden gewijzigd om helderheid te verschaffen en het normale sociale verkeer toe te staan.
De gewijzigde voorwaarden verbieden de veroordeelde elk contact met minderjarige meisjes buiten de algemeen geldende normale omgangsvormen, zoals begroeten en gedag zeggen. Ook mag hij niet zelf initiatief nemen tot contact en moet hij zich onthouden van lichamelijk contact. Hiermee wordt beoogd het risico op herhaling te beperken en tegelijkertijd de leefbaarheid van de veroordeelde te waarborgen.
De rechtbank baseerde haar beslissing op artikel 14f en 14g van het Wetboek van Strafrecht en benadrukte het belang van duidelijke voorwaarden die uitvoerbaar zijn in de praktijk.