ECLI:NL:RBMNE:2015:1287
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Midden-Nederland verklaart zich onbevoegd in cocaïnehandelzaak
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 28 januari 2015 een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van voorbereidingshandelingen in de handel van cocaïne in Amsterdam tussen 8 en 14 oktober 2014.
De verdediging stelde dat de rechtbank onbevoegd was omdat de vervolging al was aangevangen voordat verdachte in het arrondissement Midden-Nederland was aangehouden en in verzekering gesteld. De vervolging begon volgens de verdediging op 8 oktober 2014 met een vordering bij de rechter-commissaris in Amsterdam. Verdachte werd pas op 14 oktober 2014 in Utrecht in verzekering gesteld, terwijl alle opsporingshandelingen en aanhoudingen in Amsterdam plaatsvonden.
De officier van justitie voerde aan dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd was omdat verdachte zich op het moment van inverzekeringstelling in dit arrondissement bevond en dat de rechtbanken gelijkelijk bevoegd zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de bevoegdheid wordt bepaald door de plaats waar de vervolging aanvangt, namelijk Amsterdam, en dat verdachte op dat moment nog niet in het arrondissement Midden-Nederland was.
Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van de zaak. De voorlopige hechtenis van verdachte werd nog zes dagen na onherroepelijkheid van het vonnis gehandhaafd. Een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen omdat de duur van de hechtenis niet de wettelijke termijn overschreed en een opgelegde straf niet korter zou zijn dan de duur van de voorlopige hechtenis.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en handhaaft de voorlopige hechtenis zes dagen na onherroepelijkheid.