Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 maart 2015 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van aanranding van zijn schoondochter en haar moeder in de periode 2010-2011. De officier van justitie en de verdediging presenteerden hun standpunten tijdens de terechtzitting.
De tenlastelegging betrof twee feiten van aanranding, gepleegd in Duitsland en Nederland. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, zij bevoegd was en de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De officier van justitie achtte de tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen vanwege wisselende en tegenstrijdige verklaringen en de complexe onderlinge verhoudingen.
De verdediging voerde aan dat de gedragingen niet kwalificeerden als aanranding volgens artikel 246 Sr Pro. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van slachtoffers en getuigen, mede door de verslechterde familieverhoudingen, onvoldoende consistent waren om de feiten bewezen te achten. De aangifte van seksueel misbruik door de kleindochter was later onbetrouwbaar verklaard.
Gezien de onduidelijkheid over wat daadwerkelijk is gebeurd, sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. O.P. van Tricht op 27 maart 2015.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van aanranding wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.