Op 25 november 2011 gooide verdachte in Almere een stuk illegaal vuurwerk, een Cobra-vuurwerkbom, in de richting van het slachtoffer, waarbij het vuurwerk in de directe nabijheid van het slachtoffer tot ontploffing kwam. Dit leidde tot zware lichamelijke letsels, waaronder permanente gehoorbeschadiging aan beide oren van het slachtoffer. Het slachtoffer deed hierop aangifte en medische onderzoeken bevestigden het gehoorverlies.
Getuigenverklaringen van twee personen die met verdachte samenwoonden en contact hadden, bevestigden dat verdachte het vuurwerk had gegooid uit frustratie over lawaai van bouwwerkzaamheden. De rechtbank achtte deze verklaringen betrouwbaar en voldoende bewijs voor de schuld van verdachte. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de verklaringen onbetrouwbaar waren.
Hoewel verdachte vooraf zijn woning verliet om vuurwerk te halen, achtte de rechtbank dit onvoldoende bewijs voor voorbedachten rade, mede omdat verdachte in een opgewonden staat verkeerde. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde voorbedachten rade.
De rechtbank kwalificeerde het bewezen feit als zware mishandeling en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, rekening houdend met de reeds ondergane voorlopige hechtenis en eerdere strafbeschikking. De straf is gebaseerd op de ernst van het letsel en het gevaar dat het handelen van verdachte opleverde voor meerdere personen.