Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder
[derde-partij], te [woonplaats] (Frankrijk), gemachtigde: H. Beenen.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning die aan een derde-partij is verleend voor de herbouw van een twee-onder-een-kapwoning op een perceel. Hij betoogde dat het bouwplan ten onrechte was gesplitst in vergunningplichtige en vergunningvrije onderdelen, waarbij volgens hem de onderdelen functioneel en bouwkundig niet te scheiden zijn.
De voorzieningenrechter overwoog dat uit de aanvraag en bouwtekeningen duidelijk blijkt dat de vergunning alleen betrekking heeft op het vergunningplichtige deel van het bouwplan van 60 m², terwijl de vergunningvrije onderdelen apart zijn aangegeven en niet aan het bestemmingsplan zijn getoetst. De rechter verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is bepaald dat splitsing van een bouwplan alleen is toegestaan indien de onderdelen functioneel en bouwkundig te onderscheiden zijn, maar stelde dat in dit geval de vereiste rechtszekerheid voor derden is gewaarborgd doordat duidelijk is welke onderdelen vergunningplichtig zijn.
Verzoekers argument dat de vergunningvrije en vergunningplichtige onderdelen niet te onderscheiden zijn, werd niet gevolgd omdat de aanvraag en vergunning dit onderscheid voldoende duidelijk maken. Ook de door verzoeker aangevoerde bezwaren over aantasting van woongenot en wantrouwen jegens vergunninghouder werden niet meegenomen in de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit niet zodanig gebrekkig is dat het niet of niet volledig in stand zal blijven bij heroverweging en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor herbouw van de woning wordt afgewezen.