Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser 1], te [woonplaats],
[eiser 2] en [eiseres 3],te [woonplaats],
1.het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt,(gemachtigden: mr. K. Hoogenboom en R.J. Huisen)
Vrienden van De Biltse Duinen, te Bilthoven, gemachtigden: dr. J.G. Bluemink en P.J.T.M. van Puijenbroek.
26 oktober 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. Van Rijckevorsel. GS zijn verschenen bij gemachtigden mr. drs. K.M. Betten en J.D. Berkhof.
28 maart 2012 verslag uitgebracht. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld op het verslag van de StAB te reageren. Eisers hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 4 mei 2012, terwijl GS op 26 april 2012 op het verslag van de StAB hebben gereageerd.
Dit betoog slaagt niet.
- het behoud en het herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden;
- de opbouw van het landschap;
- de bescherming van het klimaat;
- de bescherming van de bodem;
- de dagrecreatie;
- de houtteelt.
vervolgens gesteld dat er, gelet op de strijdigheid met het geldende bestemmingsplan, planologische bezwaren bestaan om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo een ontheffing te verlenen. Het college heeft daarbij gewezen op de “Beleidsregels artikel 2.12 lid 1 onder a onder 2 Wabo in samenhang met artikel 4 van Pro Bijlage II Bor Gemeente De Bilt (incl. 1e wijziging)”, waarin in artikel 6 is Pro opgenomen wanneer verweerder meewerkt aan een ontheffing op basis van het hiervoor genoemde onderdeel van artikel 2.12 van de WRO. Nu een perceelsafscheiding of bouwwerk zoals aangevraagd niet in deze lijst voorkomt, is geweigerd de vergunning te verlenen.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van het college om overeenkomstig zijn beleid te handelen en in dit geval geen ontheffing te verlenen niet als onredelijk kan worden beschouwd.
Nu de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor dit hek is gebaseerd op het bestemmingsplan en de (aanwijzing van het gebied ingevolge) de Monumentenverordening, kan dan ook niet geoordeeld worden dat dit besluit in strijd is met het bepaalde in de artikelen 5:1 en 5:48 van het BW. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de ABRS van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:BQ9690. Nu bovendien artikel 2 van Pro bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een erfafscheiding tot 1 meter toelaat en daar ook vanuit de Monumentencommissie, gezien haar advies van 19 april 2011, als het gaat om paaltjes ter hoogte van 1 m met een enkele draad, vooralsnog geen bezwaren tegen bestaan, is van een ontoelaatbare inbreuk op het in artikel 5:48 van Pro het BW toegekende recht het erf af te sluiten evenmin sprake. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de uitspraak van de ABRS van 14 november 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB7804), waarin is overwogen dat de eigenaar van een erf weliswaar in beginsel bevoegd is dit af te sluiten ingevolge artikel 5:48, eerste lid, maar dat deze bepaling niet uitsluit dat aan de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid beperkingen worden gesteld. Verder heeft de ABRS in de uitspraak van 5 december 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB9473) overwogen dat het recht het erf af te sluiten niet zover strekt dat in iedere beperking van de mogelijkheid een afrastering aan te brengen, ongeacht maat en vormgeving en doel van de afrastering, een aantasting van dit recht kan worden gezien. De omstandigheid dat met een enkele draad op 1 meter hoogte niet daadwerkelijk kan worden tegengehouden dat mensen het perceel van [eiser 1] betreden, maakt het voorgaande niet anders.