Overwegingen
1. Eiseres stelt dat zij op 20 september 2013 een aanvraag om hulp heeft gedaan op
grond van de Wwb en Wmo. Eiseres heeft op 22 november 2013 verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op voornoemde aanvraag. Bij brieven van 4 december 2013 en 12 februari 2014 heeft verweerder het verzoek om een dwangsom afgewezen. Eiseres heeft op 16 mei 2014 verweerder wederom in gebreke gesteld. Daarop heeft verweerder bij fax van 10 juni 2014 gereageerd met de mededeling dat er geen aanvraag bekend is, zodat daarop ook niet behoeft te worden beslist.
Over de zaak met nummer UTR 14/3584
2. De rechtbank overweegt dat brieven van 4 december 2013 en 12 februari 2014
waartegen bezwaar is gemaakt reacties betreffen op de ingebrekestelling van eiseres. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) onder meer in de uitspraak van 5 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3928) heeft overwogen, is een ingebrekestelling geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat een reactie daarop geen besluit inhoudt. Nu er geen sprake is van een besluit staat hiertegen gelet op de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb geen bezwaar en beroep open. Verweerder had in het bestreden besluit I derhalve eiseres niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar bezwaar tegen de brieven van 4 december 2013 en 12 februari 2014. Het beroep tegen het bestreden besluit I is om die reden gegrond. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding zelf in de zaak te voorzien en eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaren tegen de brieven van 4 december 2013 en 12 februari 2014. 3. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag overweegt
4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag in het
kader van de Wwb en de Wmo en dat verweerder haar de maximale dwangsommen is verschuldigd. Eiseres stelt dat zij op 20 september 2013 een aanvraag heeft gedaan in het kader van de Wwb en de Wmo. Deze datum dient ook als uitgangspunt te gelden, omdat verweerder zich pas in bezwaar op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanvraag is gedaan. Indien de rechtbank dit niet volgt, dan was verweerder in ieder geval op de hoogte van de aanvraag vanaf de ingebrekestelling van 22 november 2013, aldus eiseres.
5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanvraag bekend is. Eiseres
stelt weliswaar dat zij op 20 september 2013 een aanvraag heeft ingediend, maar deze aanvraag is volgens verweerder niet aangekomen.
6. De rechtbank overweegt dat nu de aanvraag niet per aangetekende post is verzonden en
eiseres ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is verzonden, niet kan worden vastgesteld dat er een aanvraag is gedaan. In geval van niet-aangetekende verzending ligt de bewijslast en het bewijsrisico, indien stukken niet aankomen of zoekraken, volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in beginsel bij de afzender (zie onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2009:BH1644). Ook het betoog dat de ingebrekestelling in dat geval moet worden gezien als aanvraag slaagt niet. Verweerder was hiertoe niet gehouden. Nu gelet op het voorgaande verweerder niet in gebreke is tijdig een besluit te nemen, staat op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 6:12, tweede lid, van de Awb geen beroep bij de rechtbank open. Het beroep voor zover dit ziet op het niet tijdig nemen van een besluit is dan ook niet-ontvankelijk. 7. Omdat de rechtbank het beroep, gelet op hetgeen onder 2 is overwogen,
gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze
kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 490,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank ziet, gelet op de aard van de zaak, aanleiding deze als licht aan te merken.
Over de zaak met nummer UTR 14/5445
9. Het bestreden besluit II gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar
bezwaar. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit.
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de brief van verweerder van 10 juni 2014, verstuurd per
fax, wel een besluit is. Eiseres stelt dat de brief voldoet aan de formele vereisten van het besluitbegrip en dat de inhoud daarvan bovendien géén herhaling van zetten betreft.
11. In de brief van 10 juni 2014 heeft verweerder in reactie op de ingebrekestelling
van 16 mei 2014 meegedeeld dat er geen aanvraag bekend is en dat daarom ook niet hoeft te worden beslist. Verweerder heeft het hiertegen gerichte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het buiten behandeling laten van een ingebrekestelling kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zoals de ABRvS in voornoemde uitspraak van 5 november 2014 heeft overwogen, is een ingebrekestelling immers geen aanvraag in de zin van de Awb, zodat een reactie daarop geen besluit inhoudt. Nu de brief van 10 juni 2014 geen besluit is als bedoeld in de Awb, is gelet op de artikelen 7:1, eerste lid, en 8:1 van de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
12. Het beroep met nummer UTR 14/5445 is ongegrond. Voor een
proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.