ECLI:NL:RBMNE:2015:4654

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2015
Publicatiedatum
25 juni 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 328
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen indicatiebesluit zorg na aanvullend medisch advies

In deze bestuursrechtelijke zaak staat het indicatiebesluit van 31 maart 2015 centraal, waarbij aan eiseres een indicatie voor verschillende zorgfuncties is toegekend. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand was gekomen, omdat er onvoldoende contact zou zijn geweest met haar huisarts.

De rechtbank oordeelt dat het medisch advies gebaseerd is op informatie van de huisarts uit oktober 2014 en dat er geen aanwijzingen zijn dat het advies onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd is. Tevens is gebleken dat de huisarts geen aanvullende informatie kan verschaffen. Het beroep tegen dit besluit wordt daarom ongegrond verklaard.

Daarnaast is het beroep tegen het eerdere besluit van 17 december 2014 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit niet gehandhaafd is en er geen belang meer is bij de beoordeling daarvan. Verweerder wordt verplicht het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

De rechtbank wijst erop dat voor een toekomstige beoordeling van de zorgbehoefte nader medisch onderzoek, onder meer door een psychiater, noodzakelijk zal zijn, vooral in het kader van de nieuwe wetgeving zoals de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet.

Uitkomst: Het beroep tegen het indicatiebesluit van 31 maart 2015 is ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 december 2014 niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/328

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

24 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P. Bosma),
en

Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).
Zitting hebben:
mr. A.M.I. van der Does, rechter, en
mr. W.F.C. Vogel, griffier.
Ter zitting zijn verschenen:
[A] (gemachtigde en zoon van eiseres)
mr. P. Bosma (gemachtigde eiseres)
mr. J.E. Koedood (gemachtigde verweerder)

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 17 december 2014, niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45,- aan haar vergoedt;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 31 maart 2015, ongegrond.

Overwegingen

1. Aan de orde is het besluit van 31 maart 2015, waarbij verweerder bij nader inzien het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en besloten heeft om aan eiseres een indicatie te verstrekken voor de functie PV (1), klasse 3, met een geldigheid van 19 april 2014 tot en met 2 mei 2014, de functie PV (2), klasse 1, met een geldigheid van 3 mei 2014 tot en met 16 maart 2015, de functie BG, klasse 1 en de functie BI, klasse 2, beiden met een geldigheid van 19 april 2014 tot en met 30 september 2015.
2. Dit besluit is gebaseerd op een aanvullend medisch advies van 12 maart 2015.
Eiseres heeft tegen dit medisch advies aangevoerd dat bij de totstandkoming daarvan onvoldoende contact is geweest met de behandelend huisarts. Deze huisarts is de enige arts waarmee eiseres contact heeft, zij staat niet onder behandeling van een psychiater.
3. Uit het aanvullend medisch advies blijkt dat informatie die van de huisarts is verkregen in oktober 2014 in het advies is meegenomen. Uit wat ter zitting is gezegd is duidelijk geworden dat de huisarts ook thans geen aanvullende informatie zal kunnen verschaffen. Dat betekent dat er geen grond is voor het oordeel dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat dit niet inzichtelijk of niet deugdelijk zou zijn gemotiveerd. Verweerder kon daarom in redelijkheid overeenkomstig dit medisch advies beslissen.
3. Het beroep van eiseres is voor het overige gestoeld op de feitelijke constatering van haar zoon dat zij meer begeleiding en persoonlijke verzorging nodig heeft dan in het bestreden besluit is geïndiceerd. Er is geen medische onderbouwing van deze stelling.
De rechtbank overweegt daarover dat op grond van dit rapport de geïndiceerde begeleiding en persoonlijke verzorging voldoende zou moeten zijn, in ieder geval voor een overgangsperiode. Die overgangsperiode kan worden gebruikt om deugdelijk te onderbouwen welke zorg eiseres werkelijk nodig heeft. Daarvoor zal in ieder geval onderzoek door een psychiater en mogelijk nog andere specialisten nodig zijn. Deze psychiatrische onderbouwing zal met name van belang zijn voor de nieuwe situatie, waarbij eiseres op grond van onder meer de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet beoordeeld zal moeten worden. Voor het thans aan de orde zijnde beroep is dat niet van belang. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 31 maart 2015, is daarom ongegrond.
4. Nu verweerder het besluit van 17 december 2014, waartegen het beroep aanvankelijk was ingesteld, niet heeft gehandhaafd en van enig resterend (proces)belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit niet is gebleken, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk. Wel dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45,- te vergoeden.
5. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: