Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
€ 21.613,84;
€ 21.613,84, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 18 maart 2015 de ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor meermalen gepleegde oplichting en valsheid in geschrift. De zaak betrof verzekeringsfraude waarbij Achmea Schadeverzekeringen N.V. werd benadeeld.
De officier van justitie vorderde betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van €21.613,84. Veroordeelde voerde aan dat hij onder dwang van een derde handelde en het geld aan deze persoon moest afstaan, waardoor hij zelf geen financieel voordeel zou hebben genoten.
De rechtbank verwierp dit verweer op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, die stelt dat alleen kosten die direct samenhangen met de voltooiing van het delict in mindering kunnen worden gebracht. Betalingen aan een vermeende afperser na het delict zijn niet aftrekbaar.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €21.613,84 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €21.613,84 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.