Art. 3 onder C OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 22c Wetboek van StrafrechtArt. 22d Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor het aanwezig hebben van hennepplanten ondanks geen permanente bewoning
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 juli 2015 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte wegens het aanwezig hebben van hennepplanten en diefstal van elektriciteit. Verdachte werd ervan verdacht samen met een ander 153 hennepplanten te hebben geteeld of aanwezig te hebben gehad in een woning, en elektriciteit te hebben gestolen.
Tijdens de zittingen op 1 april en 1 juli 2015 heeft de rechtbank de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging gehoord. Verdachte gaf aan sinds eind zomer 2013 niet meer permanent in de woning te wonen, maar kwam er nog regelmatig voor het halen van kleding en post. Zij was op de hoogte van de hennepkwekerij maar ontkende strafrechtelijke betrokkenheid.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het feit van elektriciteitsdiefstal wegens onvoldoende bewijs van wetenschap of aandeel daarin. Voor het aanwezig hebben van hennepplanten werd verdachte veroordeeld. De rechtbank oordeelde dat het aanwezig hebben van de hennepplanten ook zonder beschikkingsbevoegdheid bewezen kon worden, omdat de planten zich in haar machtssfeer bevonden. Verdachte had de sleutel, stond ingeschreven en gaf toestemming voor een meterkastcontrole.
De rechtbank legde een taakstraf van 60 uur op, te vervangen door 30 dagen hechtenis bij niet-naleving, rekening houdend met de ernst van het feit en het ontbreken van eerdere veroordelingen. De vordering van Stedin Netbeheer B.V. tot schadevergoeding werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. De rechtbank bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur voor het aanwezig hebben van 153 hennepplanten en vrijgesproken van elektriciteitsdiefstal.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/659878-14 (P)
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 15 juli 2015
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Spanje) op [1982] ,
wonende te [adres] [woonplaats] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 april 2015 en 1 juli 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en haar raadsman, mr. B.J. Tieman, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1
primair: samen met een ander in de periode van 27 december 2013 tot en met 3 januari 2014 te [plaatsnaam] 153 hennepplanten heeft geteeld, dan wel aanwezig heeft gehad;
subsidiair: medeplichtig is geweest aan deze hennepteelt door hiervoor een pand ter beschikking te stellen;
Feit 2: samen met een ander in de periode van 27 december 2013 tot en met 3 januari 2014 te [plaatsnaam] een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen.
3.Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4.Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Aan het einde van de zomer van 2013 kreeg zij ruzie met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en is zij bij hem weggegaan. Ze kwam alleen nog bij de woning voor het halen van kleding en post. Ze was op de hoogte van de hennepkwekerij, maar heeft geen enkele rol gehad. Ze kan dan ook niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de hennepkwekerij. Van de diefstal van elektriciteit was ze in het geheel niet op de hoogte. Daarom dient integrale vrijspraak te volgen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte wetenschap had van de diefstal van elektriciteit dan wel dat zij enig aandeel heeft gehad in deze diefstal. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Het bewijs ten aanzien van feit 1 primair
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, voor zover dit ziet op het aanwezig hebben van 153 hennepplanten.
Door een medewerker van Stedin wordt op 3 januari 2014 een meterkastcontrole uitgevoerd op [adres] in [plaatsnaam] . De medewerker treft een mannelijke en een vrouwelijke bewoonster aan. [1]
Vervolgens wordt op 3 januari 2014 in de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] een hennepkwekerij aangetroffen. Op de eerste verdieping bevinden zich twee kamers met een in werking zijnde hennepkwekerij. [2] In totaal worden er 153 hennepplanten geteld. [3]
Op 3 januari 2014 is onderzoek gedaan naar de aangetroffen planten. In elke kweekruimte werden twee monsters genomen van de aanwezige planten. Tijdens de test trad een duidelijk kleurreactie op. Deze reactie gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. [4]
Door verdachte is ter terechtzitting verklaard dat ze rond september 2013 heeft gezien dat haar toenmalige vriend met potten en aarde bezig was in de woning. Verdachte begreep wel dat het om hennep ging. In september heeft verdachte nog een aantal nachten in de woning geslapen. Daarna verbleef ze niet meer in de woning, maar kwam ze nog wel twee tot drie keer in de week in de woning om kleding en post te halen. Ook had verdachte nog de sleutel van de woning en stond ze er nog ingeschreven. [5]
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepteelt.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte de aangetroffen hennepplanten aanwezig heeft gehad.
Allereerst overweegt de rechtbank dat het voor het “aanwezig hebben” in de zin van artikel 3 onderPro C van de Opiumwet niet noodzakelijk is dat verdachte enige beschikkingsbevoegdheid heeft gehad over de verdovende middelen. Voldoende voor het bewijs van dit “aanwezig hebben” is dat de verdovende middelen zich in haar machtssfeer hebben bevonden. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte opzettelijk de zich in haar woning bevindende hennepplanten aanwezig heeft gehad in de zin van de Opiumwet. De verdachte heeft ter terechtzitting immers verklaard dat zij wist dat haar (ex-)partner zich bezig hield met een hennepkwekerij in de woning. Verdachte kwam nog zeer regelmatig in de woning, had een sleutel van de woning en stond er ook nog steeds ingeschreven. Verdachte was ook op dit adres aanwezig toen de medewerker van Stedin kwam voor een meterkastcontrole, waarbij verdachte deze medewerker toestemming heeft gegeven de controle uit te voeren. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de aangetroffen hennepplanten zich in de machtssfeer van verdachte hebben bevonden. Verdachte heeft daarmee de aangetroffen hennepplanten in strafrechtelijke zin aanwezig gehad.
5.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
Primair
in de periode van 27 december 2013 tot en met 03 januari 2014 te [plaatsnaam] , opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van in totaal 153 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als
Feit 1 primair: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8.Motivering van de straffen en maatregelen
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 153 hennepplanten, die door haar ex-partner in de woning werden geteeld. Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts leveren hennepkwekerijen gevaar en overlast op voor de omgeving.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank sluit aan bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt daarin mee dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte actief betrokken was bij de hennepkwekerij.
Alles overziende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 60 uur, te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen als verdachte die werkstraf niet naar behoren verricht.
9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
9.1
De inhoud van de vordering
De vordering van Stedin Netbeheer B.V. strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 6.814,66 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.
9.2
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft opgemerkt dat de vordering gebaseerd is op een periode van 51 weken. Aangezien maar één week is ten laste gelegd en kan worden bewezen verklaard, zal het bedrag op de vordering moeten worden gedeeld door 51. De vordering kan daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 133,62 te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente. Voor het overige dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.
9.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering benadeelde partij.
9.4
Het oordeel van de rechtbank
Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd voor feit 2, is Stedin Netbeheer B.V. in de vordering niet-ontvankelijk.
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 vanPro de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.
11.Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 (zestig) uren.
Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.
Benadeelde partij
Verklaart de benadeelde partij Stedin Netbeheer B.V. niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2015.
BIJLAGE: de tenlastelegging
Aan [verdachte] wordt tenlastegelegd dat
1.
Primair
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 december
2013 tot en met 03 januari 2014 te [plaatsnaam] , althans in het
arrondissement Midden-Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ),
een hoeveelheid van (in totaal)(ongeveer) 153 hennepplanten, althans een groot
aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;