ECLI:NL:RBMNE:2015:7593

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 oktober 2015
Publicatiedatum
20 oktober 2015
Zaaknummer
16/703111-13 (ontneming) (P)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511b SvArt. 36e Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens medeplegen passieve ambtelijke omkoping

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 oktober 2015 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en passieve ambtelijke omkoping. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €400, maar stelde ter terechtzitting dat een bedrag van €1.000 passend is als ontnemingsbedrag.

De verdediging voerde aan dat de omkoping niet wettig en overtuigend bewezen was, en verzocht afwijzing van de ontnemingsvordering. De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis in de hoofdzaak en de daarin genoemde bewijsmiddelen, waaruit bleek dat veroordeelde een wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten.

De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op minimaal €1.000 en legde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer, waarbij één rechter verhinderd was mee te ondertekenen.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €1.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/703111-13 (ontneming) (P)
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 oktober 2015
in de ontnemingszaak tegen:
[veroordeelde],
hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [1953] ,
wonende te [adres] .

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:
- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 16/703111-13 waaruit blijkt dat veroordeelde bij vonnis van 20 oktober 2015 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van passieve ambtelijke omkoping;
- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;
- de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2015 zijn de officier van justitie, veroordeelde en diens raadsman, mr. C.T.W. van Dijk, gehoord.

2.De beoordeling

2.1
De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 25 augustus 2015 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 400,00.Ter terechtzitting van
29 september 2015 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat eerder genoemd bedrag dient te worden aangepast en dat van veroordeelde een bedrag van
€ 1.000,00 kan worden ontnomen. Daarbij heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat er een verdeling heeft plaatsgevonden tussen veroordeelde en zijn collega van de met de omkoping gemoeide bedragen, maar dat de verdeling niet helder uit het dossier blijkt. De officier van justitie acht wel aannemelijk dat sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 1.000,00.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de omkoping niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat om die reden de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank neemt als grondslag voor de vordering het vonnis van heden in de hoofdzaak. Daarin heeft de rechtbank bewezen geacht dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - het medeplegen van valsheid in geschrift (feit 1) en het medeplegen van passieve ambtelijke omkoping (feit 2). De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat veroordeelde door middel van het begaan van feit 2 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft gehad. De rechtbank schat op basis van die bewijsmiddelen het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van minimaal € 1.000,00. Ook de verplichting tot betaling van het geldbedrag ter ontneming van dit voordeel wordt op hetzelfde bedrag vastgesteld.

3.De beslissing

De rechtbank:
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.000,00;
De rechtbank legt de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter,
mrs. A.R. Creutzberg en G.A. Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2015.
Mr. G.A. Bos is verhinderd het vonnis mee te ondertekenen.