Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van verweerder over de heffing van leges voor het toezenden van kopieën in het kader van een Wob-verzoek. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar per e-mail was ingediend, een weg die niet was opengesteld. Eiser stelde dat het bezwaar ook tijdig per aangetekende post was verzonden, wat later door verweerder werd bevestigd. De rechtbank stelde vast dat het bezwaar tijdig was ingediend en vernietigde het eerste bestreden besluit.
Daarnaast stelde eiser beroep in tegen een tweede besluit waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het tweede besluit als nieuw beroep moest worden gezien en dat eiser voor beide zaken afzonderlijk griffierecht verschuldigd was. De rechtbank concludeerde dat de aanmaning gebaseerd was op de Kostenwet en niet op de Invorderingswet, waardoor recht op proceskostenvergoeding bestond.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van €1.470 aan proceskosten en tot vergoeding van de betaalde griffierechten. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2015.