ECLI:NL:RBMNE:2015:8543

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2015
Publicatiedatum
1 december 2015
Zaaknummer
16/662108-14
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ahf/ond B OpiumwetArt. 3 ahf/ond C OpiumwetArt. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van StrafrechtArt. 48 ahf/sub 1 Wetboek van StrafrechtArt. 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen hennepteelt wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 10 november 2015 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het medeplegen van hennepteelt in een pand te Utrecht op 5 juni 2014. De tenlastelegging betrof het kweken en/of aanwezig hebben van ongeveer 339 hennepplanten, dan wel medeplichtigheid door het beschikbaar stellen van het pand.

Tijdens de terechtzitting op 27 oktober 2015 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en de verdediging. Zowel de officier van justitie als de verdediging bepleitten vrijspraak vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs voornamelijk bestond uit een verklaring van een getuige dat verdachte onderhuurder was en een vingerafdruk van verdachte op een sealbag in de woonkamer. De hennepkwekerij bevond zich echter op de zolderverdieping, en de verklaring van de getuige werd als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld. Hierdoor was er onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij de hennepteelt.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging en verklaarde dat niet bewezen was dat verdachte het feit had begaan. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van mr. R.B. Eigeman.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van medeplegen hennepteelt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/662108-14
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 10 november 2015
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1983] te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.K. Jap-a-Joe, advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De zaak van [verdachte] is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak van medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 16/662107-14) en [medeverdachte 2] (parketnummer 16/662106-14).

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Primair:op 5 juni 2014 in Utrecht samen met anderen 339 hennepplanten heeft gekweekt, dan wel dat hij die planten voorhanden heeft gehad;
Subsidiair:op 5 juni 2014 in Utrecht medeplichtig is geweest bij voornoemd feit door het beschikbaar stellen van het pand.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tot vrijspraak van het ten laste gelegde gerekwireerd, nu het dossier naar zijn mening voor dat feit onvoldoende wettig bewijs bevat.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit, omdat – kort gezegd – het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat..
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank voor het ten laste gelegde feit – zowel primair als subsidiair – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte het feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte vrijspreken.
De rechtbank overweegt daartoe dat het bewijs vrijwel uitsluitend bestaat uit de verklaring van [A] dat verdachte onderhuurder van de woning was en het in de woning aangetroffen dactyloscopisch spoor van verdachte. Het dactyloscopisch spoor is gevonden op een sealbag in de woonkamer, terwijl de hennepkwekerij zich op de zolderverdieping bevond. De verklaring van [A] is onvoldoende betrouwbaar om hieraan doorslaggevend gewicht toe te kennen, reeds voor het bestaan van onderhuur aan verdachte als zodanig, laat staan voor de betrokkenheid bij de hennepteelt in de woning.

5.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.B. Eigeman, voorzitter,
mr. P.J.M. Mol en mr. E. Akkermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 november 2015.
BIJLAGE: de tenlastelegging
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat
Primair
hij op één of meer(dere) tijdstip(pen), op of omstreeks 5 juni 2014 te Utrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 339 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
art 3 ahf Pro/ond B Opiumwet
art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair
één of meer onbekend gebleven personen/personen op of omstreeks 5 juni 2014 te Utrecht, althans in Nederland, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 339 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 5 juni 2014 te Utrecht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
art 3 ahf Pro/ond B Opiumwet
art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet
art 48 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 48 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht