De zaak betreft een beroep van Stichting flora- en faunabescherming Weesp tegen een ontheffing verleend door de Staatssecretaris van Economische Zaken voor activiteiten in het kader van de herontwikkeling van Fort Uitermeer te Weesp. De ontheffing betreft diverse beschermde diersoorten zoals vleermuizen, heikikker en waterspitsmuis, waarbij verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de ecologische functionaliteit van vaste rust- of verblijfplaatsen niet in het geding komt.
De rechtbank oordeelt dat de ontheffing terecht is beperkt tot de in het Activiteitenplan genoemde werkzaamheden en niet ziet op toekomstige plannen zoals congrescentrum en restaurant. Tevens is vastgesteld dat niet voor alle door eiseres genoemde soorten ontheffing is aangevraagd, zodat deze niet aan de orde kunnen komen in deze procedure.
Ten aanzien van de ringslang en andere beschermde soorten is geoordeeld dat de maatregelen in het Activiteitenplan voldoende zijn om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen. Ook is vastgesteld dat geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de herontwikkeling en dat sprake is van een dwingende reden van cultuur-historisch belang, gelet op de status van Fort Uitermeer binnen de Stelling van Amsterdam en het Werelderfgoed van UNESCO.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.