Uitspraak
200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van Pro de Ffw. De voorzieningenrechter heeft in dit verband met juistheid overwogen dat het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek niet kan worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. In dit verband is van belang dat uit de verschillende onderzoeken die door het ecologisch adviesbureau Royal Haskoning in opdracht van de vennootschap ten behoeve van de ontheffingaanvraag zijn uitgevoerd, kan worden afgeleid dat er voldoende foerageer- en leefgebied in het plangebied en in de omgeving daarvan overblijft en dat de vliegroutes van en naar onder meer het aangrenzende duingebied onaangetast blijven. Gelet voorts op de uitgevoerde onderzoeken, waaronder waarnemingen door de Stichting Reptielen en Amfibieën Onderzoek Nederland (hierna: RAVON) is niet aannemelijk geworden dat een vaste populatie van de hazelworm op het terrein aanwezig is. De aanwezigheid van een enkel exemplaar op de (kale) bouwlocaties is uit te sluiten, omdat faunaschermen ter afrastering van het gebied zijn geplaatst nadat de gebouwen zijn gesloopt, juist om te voorkomen dat diersoorten deze delen van het terrein kunnen bereiken. Niet aannemelijk is gemaakt dat het tijdelijk moeten uitwijken naar het omliggende gebied negatieve effecten zal hebben op de aanwezige diersoorten. De Afdeling is dan ook met de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de aangevraagde diersoorten geen ontheffing van artikel 10 van Pro de Ffw is vereist. Uit de uitgevoerde onderzoeken kan voorts worden afgeleid dat, nu de nieuwe woningen uitsluitend zijn voorzien in de bestaande bebouwing dan wel op de locaties waar eerder gebouwen hebben gestaan, ook na voltooiing van de werkzaamheden voldoende leefgebied voor de soorten beschikbaar zal zijn. Voorts bevordert het project landschapselementen die van primair belang zijn voor de beschermde soorten, terwijl de aanleg van het natuurpark met een kwelzone een positief effect zal hebben voor het leefgebied van een aantal soorten. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat deze onderzoeken onzorgvuldig zijn uitgevoerd dan wel dat daaraan anderszins gebreken kleven, heeft de voorzieningenrechter voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake zal zijn van een permanente verstoring, waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 10 van Pro de Ffw is vereist.
200410415/1, waarin de vraag of een andere bevredigende oplossing bestaat volgens haar slechts marginaal is beoordeeld. Volgens de stichting zijn concrete alternatieven niet onderzocht evenmin als is onderzocht of het terrein niet op een andere, goedkopere, wijze kan worden heringericht.
200403380/1) wordt uit artikel 75 van Pro de Ffw duidelijk dat bij de beoordeling van de vraag of een ontheffing kan worden verleend, een dwingend en beperkt toetsingskader wordt gehanteerd. De ontheffing kan slechts worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort. Voor de soorten genoemd in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, voor alle van nature op het Europese grondgebied voorkomende vogels en voor soorten genoemd in bijlage 1 bij het Vrijstellingsbesluit geldt als aanvullende voorwaarde dat ontheffing slechts kan worden verleend indien geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op de in artikel 75 van Pro de Ffw en in het krachtens die bepaling vastgestelde Vrijstellingsbesluit nader aangeduide belangen.
200802863/1, heeft de in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Vrijstellingsbesluit neergelegde grondslag voor het verlenen van ontheffing, een ruimere strekking dan de grondslagen voor ontheffing die zijn neergelegd onder a tot en met e van artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en a tot en met c van artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat toepassing van artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Vrijstellingsbesluit, ten aanzien van diersoorten vermeld in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn en vermeld in de Vogelrichtlijn, het verlenen van ontheffing van de in de Ffw neergelegde verbodsbepalingen mogelijk maakt om andere redenen dan die welke op uitputtende wijze in artikel 16, eerste lid, onder a tot en met e, van de Habitatrichtlijn en artikel 9, eerste lid, onder a tot en met c, van de Vogelrichtlijn zijn genoemd.