Uitspraak
beslissing
1.De stukken
2.Het onderzoek ter zitting
3.De beoordeling van de vordering
De beslissing
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek tot uitlevering van een persoon met dubbele nationaliteit aan Turkije wegens strafrechtelijke vervolging voor drugshandel. De feiten betreffen een partij heroïne van ruim 83 kilogram die in 2006 in Turkije in beslag werd genomen. De rechtbank stelde vast dat de feiten ook in Nederland strafbaar zijn en dat aan de formele eisen voor uitlevering is voldaan.
De verdediging voerde verweren aan tegen uitlevering op grond van het ne bis in idem-beginsel en een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat het ne bis in idem-verweer niet opgaat omdat het onderzoek in Nederland niet tot vervolging heeft geleid en de vervolgingsfase niet was aangevangen. Het verweer over een schending van het recht op een eerlijk proces was onvoldoende concreet onderbouwd.
Hoewel de uitlevering formeel toelaatbaar is, adviseert de rechtbank de minister om geen gevolg te geven aan het verzoek vanwege het aanzienlijke tijdsverloop, het vernietigde dossier in Nederland en het feit dat het Openbaar Ministerie destijds kennelijk heeft besloten niet te vervolgen voor de betreffende feiten. Dit wekt vertrouwen dat de persoon niet verder vervolgd zal worden. De rechtbank ziet daarom uitlevering als niet wenselijk.
De rechtbank besloot de uitlevering toelaatbaar te verklaren maar adviseert de minister het verzoek af te wijzen. De behandeling van een subsidiair verzoek tot aanhouding van de procedure werd niet aanvaard. De beslissing werd uitgesproken op 1 december 2015 door een meervoudige kamer.
Uitkomst: Uitlevering toelaatbaar verklaard, maar minister wordt geadviseerd geen gevolg te geven aan het verzoek.