Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2016 in de zaak tussen
RTL Nederland B.V., te Hilversum, eiseres
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank heeft een nieuwe versie van de documenten 53 en 54 ontvangen. Eiseres heeft ook voor deze versie van de documenten toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.
Op de derde pagina van document 53 heeft verweerder het tweede blok rood gemarkeerd en daarover gesteld dat de gemarkeerde tekst al openbaar is. De rechtbank kan echter niet zelf achterhalen of deze mededeling juist is; een aanduiding waar deze tekst is terug te vinden en wanneer deze dan openbaar is gemaakt, ontbreekt.
Op de vierde pagina van document 53 heeft verweerder het tweede blok rood gemarkeerd en de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob ingeroepen. Het zou hier dus gaan om gegevens die van belang zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Een eenvoudige zoekopdracht via internet levert echter een groot deel van de hierin opgegeven informatie op die te relateren is aan het strafrechtelijk onderzoek. Verweerder zal daarom nader moeten toelichten waarom hij toch meent dat deze weigeringsgrond voor deze informatie geldt. De rechtbank merkt op dat wellicht zo'n zoekopdracht via internet een ongebruikelijke wijze van rechtsvinding is, maar het geeft haar wel een duidelijke indicatie hoe "geheim" of "gevoelig" deze informatie is.
Op de zevende, tevens laatste pagina, van document 53 heeft verweerder over het tweede rood gemarkeerde blok gesteld dat dit openbare informatie is. De rechtbank heeft wederom niet kunnen achterhalen of dit juist is en merkt op dat het gelet op de inhoud van de tweede alinea ook niet voor de hand ligt dat deze informatie al openbaar is. Ook op dit punt wordt dan ook een nadere toelichting van verweerder verwacht.
Op de hiervoor genoemde punten heeft verweerder zijn besluit om niet over te gaan tot openbaarmaking dus onvoldoende gemotiveerd. Over de overige passages uit het document oordeelt de rechtbank dat verweerder deze, gelet op de daarbij genoemde weigeringsgronden, niet openbaar heeft hoeven maken.
Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet op deze manier openbaarmaking van 900 e-mailberichten heeft mogen weigeren. Er is volgens eiseres sprake van een ‘containerbesluit’; verweerder heeft één weigeringsgrond genoemd voor een zeer groot aantal documenten die zich, zo stelt eiseres, niet allemaal op dezelfde wijze tot de Wob kunnen verhouden. Het besluit bevat daarmee niet een op de documenten toegesneden motivering. Verweerder heeft ook geen inzicht gegeven in de aard en omvang van de 900 e-mailberichten; een inventarislijst ontbreekt. Daar waar het gaat om tekstgedeelten die volgens verweerder geen informatie bevatten althans geen informatie over de bestuurlijke aangelegenheid en waarvan verweerder stelt dat openbaarmaking daarvan om die reden zinloos is, stelt eiseres dat informatie die verweerder aanmerkt als ‘futiel’ voor eiseres wel journalistieke waarde kan hebben.
Verweerder heeft ter zitting betoogd dat namen in ieder geval niet openbaar gemaakt mogen worden. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet op welke grond verweerder openbaarmaking daarvan dan heeft geweigerd. De verwijzing naar artikel 11, eerste lid, van de Wob volstaat daarvoor immers niet. Ook de weigering van openbaarmaking van de onderwerpbalken in de e-mailberichten, valt zonder verdere toelichting niet te scharen onder artikel 11, eerste lid, van de Wob. Dit betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
Uit het Wob-verzoek van eiseres blijkt dat zij nadrukkelijk niet heeft gevraagd om alleen documenten die fysiek of digitaal bij en onder het ministerie van verweerder aanwezig zijn of binnen dat ministerie zijn ontstaan. Verweerder wordt aangesproken als coördinerend minister: als hij de documenten niet zelf onder zich heeft, wordt verzocht het verzoek door te geleiden. De rechtbank verwijst naar pagina's 1 en 3 van het Wob-verzoek. De interne correspondentie op de andere ministeries dan die van verweerder over het onderwerp rijkbrede fraudeaanpak valt daarmee binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek. Op dit punt is het onderzoek van verweerder dus niet volledig geweest. Het bestreden besluit is daarmee niet zorgvuldig tot stand gekomen. De conclusie is dat verweerder óf de zoekslag opnieuw zal moeten doen en daarbij deze correspondentie moeten betrekken óf het verzoek moet doorgeleiden naar andere ministeries.
De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat sommige documenten niet in hun geheel geweigerd hadden kunnen worden met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat de genoemde delen geen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, noch feitelijke informatie die daarmee is verweven. Het zou zo kunnen zijn dat wat de rechtbank niet vindt vallen onder het bereik van artikel 11, eerste lid, van de Wob de door verweerder genoemde al openbaar gemaakte informatie betreft. Dit zal verweerder echter zelf expliciet moeten benoemen en moeten toelichten. De rechtbank gaat niet zover dat zij hier zelf onderzoek naar doet.
Bij bestudering van het document heeft de rechtbank geconstateerd dat in het gehele document nauwelijks persoonlijke beleidsopvattingen zijn te vinden, de laatste alinea mogelijkerwijs uitgezonderd. Het document bevat veel feitelijke weergaven die niet zijn verweven met enige persoonlijke beleidsopvatting. Op pagina 1.1 heeft verweerder een gedeelte van de tekst openbaar gemaakt. Halverwege de daaraan voorafgaande pagina 1 staat, wat informatie betreft, daarmee parallel lopende tekst die verweerder geweigerd heeft openbaar te maken. Zonder nadere toelichting volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat artikel 11, eerste lid, van de Wob in de weg staat aan openbaarmaking van de weggelakte passages op pagina 1.
Op pagina 1.1 heeft verweerder de tekst tussen de eerste en tweede witregel geweigerd openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat het hier gaat om een passage die bij openbaarmaking de financieel-economische belangen van de Staat zou schaden. Verweerder heeft overwogen dat dit belang hier meer moet wegen dan het belang van openbaarheid aangezien calculerende burgers bij het openbaar maken van de weggelakte passage ongewenst anticiperend gedrag kunnen gaan vertonen, waardoor de Staat te hoge uitkeringen of toelagen verstrekt of opbrengsten misloopt en minder controlemogelijkheden heeft. Verweerder heeft op dit punt naar het oordeel van de rechtbank voorzien in een afdoende motivering.
Op pagina 2.1 onderaan, onder het kopje “Wat zou idealiter gedaan moeten worden om deze risico’s te beheersen?”, heeft verweerder tekst geweigerd gedeeltelijk op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. Wat geweigerd is op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob is duidelijk gevoelige informatie in het licht van financiële en economische belangen van de Staat en mocht op deze grond worden geweigerd. Ook dat wat verweerder op deze pagina heeft geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob valt onder deze weigeringsgrond.
Op pagina 3.1 heeft verweerder het kopje "II Woningcorporaties" openbaar gemaakt. Het daarvoor op pagina 3 genoemde kopje I heeft verweerder echter geweigerd. Dit laat zich niet met elkaar verenigen.
De eerste alinea onder kopje I en de derde alinea onder datzelfde kopje bevatten eenvoudige beschrijvingen van het wettelijk stelsel en houden geen persoonlijke beleidsopvattingen in, noch daarmee onlosmakelijk verweven feiten. De gegeven motivering is niet toereikend.
De tussenliggende alinea bevat wel persoonlijke beleidsopvattingen en verweerder heeft dit mogen weigeren op de genoemde weigeringsgrond.
Onder het al eerder genoemde kopje II Woningcorporaties heeft verweerder alles onder het (sub)kopje “1 Huidige praktijk en regelgeving (Woningwet/Bbsh) geweigerd openbaar te maken. Zoals het kopje al zegt gaat het hier om een feitelijke opsomming. Dat geldt voor alle zes bolletjes behalve het vierde. Het gaat hier niet om feiten die onlosmakelijk verweven zijn met een persoonlijke beleidsopvatting. Het eerste bolletje is ook geweigerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. Het is duidelijk dat hier de economische belangen van de Staat een rol spelen, maar het komt de rechtbank zonder nader uitleg voor dat dat belang niet hoeft te prevaleren boven het openbaarheidsbelang, omdat het om feitelijke en weinig zeggende informatie lijkt te gaan. De bij het bestreden besluit gegeven motivering, waarbij vooral moet worden voorkomen dat de calculerende burger op ideeën wordt gebracht, lijkt hier niet op te gaan.
De resterende tekst van dit document heeft verweerder op de genoemde weigeringsgrond mogen weigeren openbaar te maken.
Documenten 4 en 5; artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 11 van Pro de Wob
De beroepsgronden van eiseres slagen op dit punt niet.
Documenten 9 tot en met 21; artikel 11 van Pro de Wob
De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Uitgangspunt is de inhoud van het document en niet de benaming die verweerder eraan geeft. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob wordt onder persoonlijke beleidsopvatting verstaan: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. Dat een document de naam “fiche” draagt en dat het hier mogelijkerwijs om een standpunt van een hele afdeling gaat en niet om die van een enkele ambtenaar of een paar ambtenaren, maakt gelet op de hiervoor aangehaalde definitie op zichzelf niet dat deze documenten geen persoonlijke beleidsopvattingen kunnen bevatten. De rechtbank moet beoordelen of de inhoud van de documenten persoonlijke beleidsopvattingen bevat of feitelijke gegevens die zo zijn verweven met die persoonlijke beleidsopvattingen dat het niet mogelijk is om ze te scheiden.
Voor document 18 geldt dit eveneens voor het onderaan de eerste pagina (verweerders nummer 18) ingesprongen tekstgedeelte tot aan einde van de pagina en op de tweede pagina (verweerders nummer 18.1) voor de eerste twee tekstblokken. Ook hier volstaat de motivering van verweerder niet.
In document 21 heeft de rechtbank evenmin persoonlijke beleidsopvattingen gezien, noch daarmee zo nauw verweven feiten dat zij daarvan niet te scheiden zijn. Voor dit document voldoet verweerders motivering dus ook niet.
Document 26 bestaat uit twee onderdelen (26 en 26.1). Document 26 is mogelijkerwijs opgesteld voor intern beraad en kan ook persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, maar dat is gelet op de inhoud van het daaropvolgende document 26.1 echter twijfelachtig, want 26.1 lijkt, mede gelet op de tekst van document 25, een door een bewindspersoon uit te spreken tekst voor een groot gezelschap te zijn. Zonder toelichting kan de rechtbank verweerders standpunt dat ook hier artikel 11, eerste lid, van de Wob van toepassing is, niet volgen. Verweerder moet deze documenten, in onderlinge samenhang, nog eens nauwkeurig bezien op het punt van mogelijke openbaarmaking.
Document 25; artikel 11 van Pro de Wob
Algemeen over deze zaak
De rechtbank ziet daarom gelet op al het voorgaande aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van Awb, in de gelegenheid te stellen om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder:
- Met inachtneming van het voorgaande een aanvullende motivering geven op welke gronden zij openbaarmaking van de verschillende onderdelen van de e-mailberichten heeft geweigerd. Concreet moet duidelijk zijn op welke gedeelten artikel 11, eerste lid, van de Wob van toepassing is, welk gedeelte van de e-mails al openbaar is, welke informatie volgens verweerder zinledig is en voor welke gedeelten van de e-mails eventueel andere weigeringsgronden van toepassing zijn.
Beslissing
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de overige gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen van deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.