Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
29 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4449.
21 juli 2015 afgezwakt ten opzichte van de vorige beoordeling door verweerder (vastgelegd in de FML van 8 maart 2012), terwijl haar klachten hetzelfde zijn. Volgens eiseres is de belastbaarheid van haar nek (alleen) vastgesteld op eigen waarneming van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (dat eiseres haar nek tijdens het uitkleden spontaan gedraaid zou hebben) en zijn alle overige aspecten ten onrechte niet meegewogen.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van
21 juli 2015 specifiek ingaat op item 4.17. In de rapportage valt te lezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar oordeel met name gebaseerd heeft op de informatie van de huisarts en de daarbij behorende conclusie dat het door de huisarts gestelde een significante beperking van de nek niet kan verklaren. Daarnaast, maar niet alleen, neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar advisering mee dat tijdens het onderzoek door haar is gezien dat eiseres haar hoofd wel in aanzienlijke mate kan roteren. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar oordeel op dit item afdoende gemotiveerd.
21 juli 2015, waarbij de signaleringen in de geduide functies door verweerder voldoende gemotiveerd zijn. De gronden van eiseres treffen daarbij geen doel, omdat eiseres uitgaat van de klachten en beperkingen zoals zij die zelf ervaart, maar niet van de vastgestelde belastbaarheid in de FML van 21 juli 2105. Ook berusten enkele gronden (bijvoorbeeld met betrekking tot het item ‘staan’) op een onjuiste lezing van de functiebeschrijving. Uitgaande van de juistheid van de door verweerder bij eiseres aangenomen beperkingen ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres de werkzaamheden behorende bij de aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.
Beslissing
mr. M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
8 maart 2016.