Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Procesverloop
Overwegingen
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen situatie is dat elk spoedeisend belang ontbreekt. Daarom zal zij het verzoek beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en een belangenafweging en bezien of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
Per 29 maart 2016 is de pilot ‘Stop&Drop’ feitelijk van start gegaan, in die zin dat er vergunningen zijn uitgegeven om deel te nemen aan de pilotfase. De bevoorrading van de horeca wordt nu dus deels gedaan door vergunninghouders die op de aangewezen plekken parkeren. Verweerder heeft toegelicht dat in de drukke zomermaanden gemonitord gaat worden wat het project oplevert, welke problemen er mogelijk nog zijn en wat er beter kan.
“Er is volgens mevrouw Hoffmans niet gecommuniceerd van tevoren omdat er vanuit is gegaan dat deze plaats geen bezwaren zou opleveren nu er maar tot 11.30 uur gebruik van zou worden gemaakt. Een niet geheel juiste inschatting blijkt nu.”
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij een gesloten overdracht van het geld groot is. Zij heeft verwezen naar de hiervoor genoemde Kamerstukken II 2007/08, 31 340, nr. 3 en daaruit het volgende geciteerd.
Uit het primaire besluit, noch het bestreden besluit, noch dat wat verweerder in de beroepsfase en ter zitting heeft betoogd blijkt dat hij dit belang van verzoekster heeft onderzocht en heeft meegewogen bij zijn besluitvorming. De in dat kader relevante vragen heeft verweerder niet kunnen beantwoorden. Niet is door verweerder uitgezocht of een gesloten overdracht - vanwege de fietsenrekken en het naburige terras van Wijncafé Lefebvre - voorheen wel kon op deze plek. Of sprake is van een veranderde veiligheidssituatie op dat punt, is hem dus feitelijk niet bekend. Verweerder heeft verder geen kennis vergaard hoe vaak de geldwagens de bank bevoorraden en geld ophalen. Niet is daarmee helder in hoeverre zij daadwerkelijk hinder zullen hebben van de koelwagens die een gesloten overdracht op de aangegeven tijden onmogelijk maken. Ook weet verweerder niet hoe veel, hoe vaak en hoe lang er geparkeerd gaat worden. Of er iedere dag door drie koelwagens gebruik zal worden gemaakt van de parkeervakken voor het filiaal van de bank en hoe lang de bank dus dagelijks hinder heeft van de koelwagens, is niet bekend. Verweerder stelt dat het op de weg van verzoekster ligt om aannemelijk te maken dat tijdens de ochtenduren sprake is van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico, maar daarmee gaat zij voorbij aan het hiervoor geschetste wettelijk kader en de op haar rustende verplichtingen op grond van artikel 3:2 en Pro 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb is verweerder gehouden om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Verweerder heeft het belang van verzoekster bij een gesloten geldoverdracht niet voldoende onderzocht en niet gewogen.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 992,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 496,-).
Beslissing
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ter hoogte van € 992,-;