Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Stichting Faunabeheereenheid Utrecht, te Veenendaal
Procesverloop
Overwegingen
.
.In juli 2014 werden er in de provincie Utrecht ruim 27.000 grauwe ganzen geteld, terwijl de streefstand 4.000 exemplaren als voorjaarspopulatie is, wat overeenkomt met een zomerstand van 7.000 exemplaren. Volgens verweerder moet allereerst een reductie van de populatieomvang worden bereikt voordat minder ingrijpende middelen kunnen worden ingezet. Dit geldt ook voor de Canadese ganzen. Blijkens het Faunabeheerplan heeft vanaf 1990 tot 2010 een significante toename van het aantal Canadese ganzen plaatsgevonden, maar is de populatie de laatste drie jaren (2010 – 2013) stabiel gebleven. Ten aanzien van de schade veroorzaakt door Canadese ganzen staat in het Faunabeheerplan dat deze schade de afgelopen planperiode vanaf 2009 tot 2012 geleidelijk is gestegen en dat deze toename in schade deels overeenkomt met de toename van de populatie. Uit het Faunabeheerplan blijkt voldoende duidelijk dat een relatie bestaat tussen de populatie grauwe ganzen en Canadese ganzen en de omvang van de schade. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan ingrijpen in de populatieomvang van grauwe ganzen en Canadese ganzen.
4 december 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:8061) gesteld dat verweerder niet bevoegd is om voor beschermde vogels ontheffing te verlenen voor het gebruik van het middel vangkooi.
Gelet op de beschrijving van de wijze van het vangen van de ganzen, is de rechtbank van oordeel dat het vangen gebeurt met behulp van een vangkraal. Een vangkraal staat niet vermeld in artikel 5, eerste lid, van het Bbsd. Omdat het gebruik van het middel vangkraal geen grondslag vindt in een wettelijk voorschrift, heeft verweerder reeds hierom ten onrechte ontheffing verleend voor het gebruik van een vangkraal.