Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2016 in de zaken tussen
[eiser 3] (UTR 14/4676),
[eiser 4] (UTR 14/4682), en
[eiser 5] (UTR 14/4686),
allen te [woonplaats] , eisers
Procesverloop
Overwegingen
Kunnen eisers, gelet op artikel 7.16 van de Waterwet, voor een tegemoetkoming in planschade in aanmerking komen?
Op grond van artikel 2.34, eerste lid, van de Invoeringswet zijn de artikelen 7.14 tot en met 7.17 van de Waterwet niet van toepassing indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen.
Op grond van artikel 7.16 van de Waterwet blijft afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening buiten toepassing, voor zover een belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid.
Op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.
voor zoverhet waterschap gehouden is de betreffende schade te vergoeden. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder niet in zijn betoog dat de door eisers gestelde schade, indien daarvan sprake is, volledig anderszins is verzekerd.
Eisers hebben er in dit verband op gewezen dat [adviesbureau 1] en de StAB geenszins inzichtelijk hebben gemaakt op basis van welke gegevens zij tot de conclusie komen dat de als waterbergingsgebied aangewezen gronden in de oude situatie ook al regelmatig onderliepen. Afbeelding 2 (natuurlijke inundatiefrequentie) in het advies van de StAB van 5 oktober 2015 geeft, in tegenstelling tot hetgeen het advies suggereert, geen beeld van de historische situatie maar enkel een verwachting voor de toekomst. Volgens eisers is er maar één jaar genoemd waarin de percelen zijn ondergelopen, namelijk 1998. Verder stelt [adviesbureau 1] volgens eisers ten onrechte dat de inundatiekansen als gevolg van de aanwijzing van het gebied als waterbergingsgebied niet zullen toenemen. De hoogte van het water in het gebied wordt gestuurd door sluizen. Het is duidelijk dat de aanwijzing van dit gebied als waterbergingsgebied juist is geschied om andere gebieden, zoals woonwijken in Amersfoort en Leusden, te vrijwaren van wateroverlast.
De rechtbank is met eisers van oordeel dat zowel in de adviezen van [adviesbureau 1] als in het advies van de StAB onvoldoende is gemotiveerd waarom de planologische aanwijzing van de landbouwgronden als waterbergingsgebied als zodanig niet leidt tot schade. Zij overweegt in dit verband dat inundatie van het waterbergingsgebied zal leiden tot hinder voor de agrarische bedrijfsvoering. Dergelijke hinder zal, zoals de ABRvS in de uitspraak Hardenberg heeft overwogen, er toe leiden dat een redelijk denkend koper de gronden lager waardeert. In de adviezen is ook onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van indirecte planschade voor de bouwpercelen. De rechtbank overweegt daartoe dat eisers terecht stellen dat de mogelijke indirecte planschade voor de bouwpercelen en de bebouwing daarop in beginsel niet voor vergoeding op grond van de Waterwet in aanmerking komt, zodat vergoeding op grond van artikel 6.1 van de Wro niet om die reden is uitgesloten. Eisers stellen gemotiveerd dat sprake is van dergelijke indirecte schade.
De bestreden besluiten, die zijn gebaseerd op de adviezen van [adviesbureau 1], zijn gelet op het voorgaande niet gebaseerd op de nodige kennis omtrent de relevante feiten. Verweerder mag de kans op inundatie die al bestond voordat het gebied als waterbergingsgebied werd aangewezen bij de planologische vergelijking betrekken, maar moet wel inzichtelijk maken op welke gegevens een dergelijke vergelijking is gebaseerd. Bij de bestreden besluiten is dit onvoldoende gedaan.
Normaal maatschappelijk risico
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het normaal maatschappelijk risico in het onderhavige geval in het geheel niet aan de orde is omdat zij in hun eigendom worden aangetast. Zij overweegt daartoe in de eerste plaats dat de landbouwgronden van eisers, doordat daarop een dubbelbestemming is komen te liggen, niet feitelijk worden aangetast. Voor zover wel van een feitelijke aantasting sprake is, komt deze schade, zoals onder 18 en 19 is overwogen, in aanmerking voor vergoeding door het waterschap op grond van de Waterwet. De schade waarvan de vergoeding in het kader van de nu voorliggende procedure mogelijk wel aan de orde is, betreft directe planschade (de waardevermindering van de agrarische gronden) en indirecte planschade (de waardevermindering van de bouwpercelen). Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder op de voet van dan wel analoog aan artikel 6.2, tweede lid, van de Wro van deze (mogelijke) schade in ieder geval 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade voor rekening van eisers laten. Dit neemt echter niet weg dat aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro zelfstandige betekenis toekomt en verweerder naar aanleiding van elk verzoek om tegemoetkoming in planschade eerst moet onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de door belanghebbende gestelde schade binnen het normale maatschappelijk risico valt. Op basis daarvan kan zich ook de situatie voordoen dat het normaal maatschappelijk risico hoger moet worden vastgesteld dan 2% van de waarde van de onroerende zaak. De rechtbank wijst in dit verband naar de tussenuitspraak van de ABRvS van 5 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6492).
De vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren.
Eisers stellen dat de aanwijzing van het waterwingebied het gevolg is van nieuw overheidsbeleid dat eerst in 2005 tot stand is gekomen en dat dus niet in de lijn der verwachtingen lag. Dat de bestemmingsplanprocedure vervolgens een lange tijd in beslag heeft genomen, is niet aan eisers te wijten en betekent niet dat enkel op basis daarvan kan worden gesteld dat de aanwijzing in 2009 in de lijn der verwachtingen lag.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, mede gelet op hetgeen eisers hieromtrent betogen, onvoldoende heeft gemotiveerd dat het normaal maatschappelijk risico op 100% kan worden gesteld. De rechtbank geeft verweerder daarbij ook in overweging dat een normaal maatschappelijk risico van 100% haar, gelet op de bestaande rechtspraak over inbreidingslocaties waarvoor een normaal maatschappelijk risico van 5% kan worden gehanteerd, hoog voorkomt.
Verweerder zal daarbij in ieder geval moeten ingaan op hetgeen onder 25 en 33 van deze uitspraak is overwogen en hetgeen eisers hieromtrent hebben gesteld.
De rechtbank verzoekt verweerder om in zijn reactie op de tussenuitspraak ook in te gaan op het betoog van [eiser 3] , in de zaak UTR 14/4676, dat, anders dan in de adviezen van [adviesbureau 1] wordt verondersteld, ook de kuilvoerplaat op zijn gronden, die deel uitmaakt van het bouwperceel, is gelegen in het gebied met de dubbelbestemming ‘Tijdelijke Waterberging’.