Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
[gedaagde sub 3],
[gedaagde sub 4],
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding aangespannen door een Utrechtse vastgoedeigenaar, die drie procedures startte om huurders uit hun woningen te zetten. De verhuurder stelde dat de huurders de woningen kamersgewijs bewonen, wat in strijd zou zijn met de huurovereenkomst en waarvoor geen vergunning voor kamerverhuur is verleend. De gemeente Utrecht had een dwangsom opgelegd aan de verhuurder wegens deze vermeende kamerverhuur.
Tijdens de mondelinge behandeling op 13 december 2016 werden de standpunten van beide partijen toegelicht. De verhuurder vorderde ontruiming van de woningen, terwijl de huurders zich verzetten tegen deze vorderingen. De kantonrechter heeft de vorderingen van de verhuurder afgewezen en de verhuurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de huurders.
De uitspraak werd gedaan in verkorte vonnissen op 14 december 2016, met een nadere schriftelijke motivering die uiterlijk op 21 december 2016 zou volgen. De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder geen recht had op ontruiming van de huurders op grond van de gestelde kamerverhuur zonder vergunning.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vorderingen van de verhuurder af en veroordeelt deze tot betaling van proceskosten aan de huurders.