De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 6 december 2016 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplichtigheid aan een beroving, verduistering van een paspoort en diefstal van een postpakket.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte schuldig te verklaren aan medeplichtigheid aan de beroving. Verdachte had wel contact gehad met het slachtoffer en een afspraak gemaakt om te chillen in een schuurtje, maar er was geen bewijs dat hij informatie had verstrekt die tot de beroving leidde.
Wel werd vastgesteld dat verdachte opzettelijk een paspoort had verduisterd door het niet bij de politie af te geven nadat hij het had gevonden, en dat hij een postpakket met kledingstukken had gestolen. Deze feiten werden wettig en overtuigend bewezen verklaard.
De rechtbank hield rekening met de jonge leeftijd van verdachte, eerdere veroordelingen en de omstandigheden van het geval en legde een onvoorwaardelijke jeugddetentie van twee weken op, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering werd gebracht.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat het ten laste gelegde waarvoor zij schade vorderde niet bewezen werd.