De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van handel in heroïne en cocaïne, gepleegd in de periode van 9 augustus 2014 tot en met 28 juni 2016 in het arrondissement Midden-Nederland. De tenlastelegging betrof het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van verdovende middelen, zijnde cocaïne en heroïne, middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet.
Het bewijs bestond uit meldingen van politie over dealactiviteiten vanuit een grijze Seat Arosa, getuigenverklaringen van kopers die verdachte herkenden als dealer, afgeluisterde telefoongesprekken, en inbeslaggenomen drugs die positief getest waren. Verdachte erkende zichzelf de bijnaam [A] te hebben gegeven en verklaarde vanaf november 2015 voor een derde partij drugs te hebben verhandeld. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte vanaf 9 augustus 2014 tot juni 2016 actief was in de handel, medeplegend met anderen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van handel vóór 9 augustus 2014 wegens gebrek aan bewijs. Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de overlast voor de samenleving, de verslavende en schadelijke aard van de drugs, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn zwakbegaafdheid en psychische problematiek. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en behandeling.
Daarnaast verklaarde de rechtbank een aantal in beslag genomen telefoons en geldbedragen verbeurd, terwijl andere goederen zoals een auto en kentekenbewijzen werden teruggegeven aan de rechthebbenden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 november 2016.