Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij], te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. E.S. de Jong.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin hem vanaf 1 juni 2014 geen recht op een WIA-uitkering wordt toegekend wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Bij het bestreden besluit werd het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, met een gewijzigde motivering dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor geen recht op uitkering ontstaat.
Eiser stelde dat door de gewijzigde motivering de rechtsgevolgen zijn gewijzigd, onder meer met betrekking tot premiekorting voor een nieuwe werkgever en aanspraak op de Ziektewet. Verweerder stelde dat dit geen herroeping van het primaire besluit inhoudt zoals bedoeld in artikel 7:15 lid 2 Awb Pro, omdat het besluit tot weigering van de WIA-uitkering ongewijzigd bleef.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar slechts heeft geleid tot een wijziging binnen de klasse 'minder dan 35% arbeidsongeschikt' en niet tot een wijziging van het beoogde rechtsgevolg. Er is daarom geen sprake van herroeping in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb Pro en geen grond voor vergoeding van proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en proceskostenvergoeding wordt afgewezen.