ECLI:NL:RBMNE:2017:1089

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 maart 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
5742629 UE VERZ 17-77 PK/1097
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a lid 4 sub a BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever niet-ontvankelijk in verzoek tot betaling gefixeerde schadevergoeding na overschrijding vervaltermijn

De zaak betreft een verzoek van een werkgever tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van €9.234 wegens ontslag op staande voet van de werknemer. De werknemer was sinds 1 juli 2013 in dienst, met een onderbreking door faillissement en doorstart, en werd op 15 januari 2016 op staande voet ontslagen na een escalatie in de arbeidsrelatie.

De werkgever diende haar verzoek tot betaling van de schadevergoeding echter pas op 24 augustus 2016 in, ruim na de wettelijke vervaltermijn van twee maanden die geldt volgens artikel 7:686a lid 4 sub a BW na het einde van de arbeidsovereenkomst. De werknemer had aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen het ontslag, maar uiteindelijk berust.

De kantonrechter overweegt dat het verzoekschrift tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding binnen de vervaltermijn moet worden ingediend en dat de werkgever dit niet heeft gedaan. Hierdoor is de mogelijkheid tot het indienen van het verzoek vervallen. De werkgever wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De proceskosten worden begroot op nihil vanwege samenhang met de rolzaak.

Uitkomst: Werkgever wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot betaling van gefixeerde schadevergoeding wegens overschrijding van de vervaltermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 5742629 UE VERZ 17-77 PK/1097
Beschikking van 1 maart 2017
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [verzoekster] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. M.E.J. van Gelderen,
tegen:
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [verweerster] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. A.T. Eisenmann.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de conclusie van eis in reconventie in de dagvaardingsprocedure tussen partijen met zaaknummer 5170943 UC EXPL 16-9351;
  • het vonnis in die dagvaardingsprocedure van heden, waarbij de vordering in reconventie ten aanzien van de gefixeerde schadevergoeding naar de verzoekschriftenprocedure is verwezen.
1.2.
De mondelinge behandeling in de rolzaak heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017, waarvan proces-verbaal.
1.3.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verweerster] is op 1 juli 2013 in dienst getreden van [bedrijf 1] B.V. in de functie van Algemeen Directeur. Op 12 september 2013 is [bedrijf 1] B.V. failliet verklaard. Op 27 september 2013 is een doorstart gerealiseerd. De failliete onderneming is gekocht door
[...] Holding B.V. [verweerster] is per 1 december 2013 in dienst getreden bij de werkmaatschappij van [...] Holding B.V., [verzoekster] B.V. in de functie van Algemeen Directeur. Haar laatstgenoten brutoloon bedroeg € 5.700,-- per maand, vermeerderd met vakantiebijslag. [verweerster] is per 1 mei 2014 op detacheringsbasis werkzaamheden gaan verrichten voor [bedrijf 2] B.V., een aan [verzoekster] gelieerde onderneming.
2.2.
Op enig moment is er tussen partijen een verschil van inzicht ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden door [verweerster] .
2.3.
Bij brief van 9 december 2015 heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd tegen 1 februari 2016. In deze brief heeft [verweerster] [verzoekster] meegedeeld dat zij de door haar opgebouwde verlofuren wil opnemen, als gevolg waarvan zij vanaf 14 december 2015 zou zijn vrijgesteld van haar werkzaamheden.
2.4.
Bij e-mail van 14 december 2015 heeft [verweerster] aan mevrouw [A] , Office Manager bij [verzoekster] , gevraagd haar verlofdagen aan te passen.
2.5.
Een door partijen geplande afspraak op 14 december 2015 om 15.00 uur heeft geen doorgang gevonden. Enkele uren voorafgaand aan dit gesprek is de situatie tussen partijen ernstig geëscaleerd. [verweerster] heeft bij de politie aangifte gedaan van mishandeling door [B] , aandeelhouder van [verzoekster] . [B] heeft de door [verweerster] gestelde gang van zaken uitdrukkelijk betwist. [verzoekster] heeft [verweerster] op 14 december 2015 op non‑actief gesteld.
2.6.
Bij e-mail van haar gemachtigde van 15 januari 2016 heeft [verzoekster] de gemachtigde van [verweerster] bericht dat [verweerster] op staande voet is ontslagen.
2.7.
[verweerster] heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet, maar heeft er uiteindelijk in berust.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt veroordeling van [verweerster] tot betaling van een bedrag van € 9.234,-- ter zake van gefixeerde schadevergoeding omdat [verweerster] door haar opzet of schuld aan [verzoekster] een dringende reden heeft gegeven om haar op staande voet te ontslaan.
3.2.
[verweerster] voert tegen deze vordering aan dat [verzoekster] deze vordering te laat instelt, namelijk op 24 augustus 2016, meer dan 7 maanden na het ontslag op staande voet van 15 januari 2016, en ruim na de vervaltermijn van 2 maanden van artikel 7:686a lid 4 sub a BW.
3.3.
De kantonrechter overweegt het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 sub a BW geldt voor een verzoek tot vergoeding in verband met schadeplichtigheid ten gevolge van een ontslag op staande voet een vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Vast staat dat [verzoekster] binnen de vervaltermijn niet een dergelijk verzoek tot vergoeding heeft gedaan. De mogelijkheid om een verzoekschrift strekkende tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding in te dienen is derhalve komen te vervallen. De kantonrechter zal [verzoekster] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering/verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.
3.4.
[verzoekster] zal in de proceskosten worden veroordeeld, welke gelet op de samenhang met de rolzaak worden begroot op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, welke aan de zijde van [verweerster] worden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. P Krepel en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.