Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] ,
[naam], te [woonplaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker woont met zijn gezin op een perceel in Soest waar een bouwwerk staat dat in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt als woning en kantoorruimte. De gemeente heeft hem bij besluit van 24 november 2015 lasten onder dwangsom opgelegd om het gebruik te staken en bouwwerkzaamheden te verwijderen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, maar deze zijn ongegrond verklaard en het dwangsombesluit is onherroepelijk geworden.
Verzoeker vroeg vervolgens op grond van artikel 5:34 Awb Pro om opheffing, opschorting of vermindering van de lasten wegens financiële onmogelijkheid. De gemeente weigerde dit en de voorzieningenrechter heeft dit besluit getoetst. Verzoeker stelde dat hij door financiële problemen en lopende civiele procedures niet aan de lasten kan voldoen en dat uitvoering tot onomkeerbare gevolgen zou leiden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het onmogelijk is om aan de lasten te voldoen. Hij heeft een ruime termijn gehad om de overtredingen te beëindigen en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij actief naar alternatieve woonruimte heeft gezocht. Ook de financiële situatie en de civiele procedure bieden geen grond voor opschorting. De rechtbank wees het verzoek om voorlopige voorziening af en oordeelde dat de gemeente in redelijkheid het primaire besluit kon handhaven.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting of opheffing van de lasten onder dwangsom wordt afgewezen.