Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2017 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft gereageerd bij faxbericht van 28 juni 2016.
Overwegingen
Wat betreft het geluid bij de aanvoer van het vee is in het verslag toegelicht dat in het rapport van [naam adviesbureau 2] van 5 november 2014, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is uitgegaan van een bronvermogen van 100 dB(A) voor de aanvoer van vee met bijbehorende activiteiten. Dit bronvermogen zou op de in de bijlage bij het verslag aangegeven meetpositie modelmatig leiden tot een maximaal berekend geluidniveau van 66,8 dB(A). Het geluidsonderzoek is verricht tijdens de aanvoer van twee varkens. Bij het geluidsonderzoek is een maximaal geluidsniveau niveau gemeten dat 0,7 dB(A) lager is dan het modelmatig berekende geluidsniveau. Dit verschil is marginaal en valt binnen de meetonnauwkeurigheid. Dit leidt tot de conclusie dat het in rapport van 5 november 20014 gehanteerde bronvermogen niet te laag is.
Wat betreft het geluid gedurende het verblijf van het vee in de stallen is in het verslag van [naam adviesbureau 2] gesteld dat het geloei van koeien of het gegil van varkens tijdens het bezoek op 13 oktober 2016 niet is waargenomen. Dit blijkt ook uit een filmpje dat op internet staat.
Over het geluid tijdens het slachten wordt in het verslag van [naam adviesbureau 2] gesteld dat het slachten gebeurt met behulp van schietmaskers. Omdat het schietmasker slechts enkele keren per dag wordt gebruikt en alleen inpandig, is van een overschrijding van de geluidsnormen geen sprake.
Over het geluid tijdens het slachten stellen eisers dat de conclusies van [naam adviesbureau 2] niet op feitelijk onderzoek zijn gebaseerd.
De rechtbank geeft verweerder daarbij in overweging dat het allereerst op zijn weg ligt om op representatieve momenten een onderzoek te (laten) verrichten naar de feitelijke geluidsbelasting ten gevolge van het geluid van het vee (zowel de varkens als de runderen) bij de aanvoer, gedurende het verblijf in de stallen en tijdens het slachten. Vervolgens moet verweerder de vraag beantwoorden of het, gelet op de uitkomsten van dat onderzoek, aannemelijk is dat aan de in de voorschriften 2.1 en 2.2 van de vergunning gestelde geluidvoorschriften kan en zal worden voldaan.